Het is een stralende zomerdag in 1989 in Ilulissat, in het uiterste westen van Groenland. De derde grootste stad van het land heet dan nog Jakobshavn. Ik stap uit de helikopter en sta als aan de grond genageld. Het uitzicht om mij heen is weergaloos mooi. In zee zie ik gigantische ijsbergen als groteske decorstukken uit een arctische opera voorbijdrijven. Als ik door mijn wimpers kijk veranderen ze in mijn hoofd in glazen sprookjespaleizen.
Mijn reis naar Groenland begint met superlatieven: ik ben op het grootste eiland ter wereld dat, met nog geen 57.000 inwoners, het dunst bevolkte land op aarde is. Welkom in Kalaallit Nunaat, ‘Het land van het volk”.
Ik weet niet waar ik moet beginnen met fotograferen. Ik sta te stuiteren als een opgewonden kleuter. Op een bruggetje over een snelstromend riviertje begin ik te kieken. In mijn haast om alles vast te leggen grijp ik de camerakoffer bij het hengsel om vanuit een andere positie te gaan fotograferen. Maar het deksel zit niet goed vergrendeld. De aluminium koffer klapt open als een oester. De losse lenzen rollen als rolmopsen over de hellende brug. Mijn peperdure Nikon-groothoeklens verdwijnt met een plons in de plomp. Ik kan wel janken.
Om me heen zie ik talloze sledehonden aan kettingen liggen. In de zomer hebben deze imposante dieren niets te doen. Een Groenlander gooit grote lappen zeehondenspek voor ze neer. De leider van de roedel mag als eerste eten, de rest kijkt kwijlend toe tot hij klaar is. Opeens lopen er twee Groenlanders met jachtgeweren mijn richting op. Ze zijn stomdronken en schieten in het wilde weg om zich heen. Ze proberen de straatlampen kapot te schieten, maar dat lukt niet. Het geluid van de explosies weerkaatst tegen de rotswanden. De honden beginnen massaal te janken. Het is een angstaanjagend wolvengehuil. De twee mannen lopen gillend van het lachen verder.
Ik vind het vreselijk om die jonge mannen zo laveloos te zien. Drankzucht is een groot probleem op Groenland. Drinken is sociaal geaccepteerd. Je bent er niet ‘minder’ om als je zuipt.
De volgende dag stap ik opnieuw in een transporthelikopter en vlieg noordwaarts naar Upernavik. Ik zal er vijf weken logeren bij een Deense vriend. Het lijkt alsof onze hemelse Bob de Bouwer een handvol confetti op de westkust heeft gestrooid als ik het stadje onder me zie. Overal kleven felgekleurde huisjes tegen de grauwe rotsen aan. “Leuker kan ik het niet maken, mooier wel,” moet de Lego-God gedacht hebben.
Er wonen hier zo’n duizend Inuit en honderd Denen. Het zijn bijna zonder uitzondering bebaarde, ruige types die ooit zijn blijven kleven aan een Groenlandse vrouw. Ze vormen een hechte, stevig drinkende gemeenschap. De twee bevolkingsgroepen leven volstrekt langs elkaar heen. In dronken buien noemen de Vikingen de Groenlanders gekscherend ‘ijsnegers’. (isneger) Een Groenlandse student vertelt me dat de Inuit zich minderwaardig voelen in hun eigen land.
Mijn Deense vriend is elektromonteur en is verantwoordelijk voor de elektriciteitsvoorziening in het district Upernavik. Met hem en een ambtenaar van volkshuisvesting reis ik per boot langs de vervallen jagersgemeenschappen aan de westkust. Het wordt een van de mooiste reizen die ooit heb gemaakt. Aan boord krijg ik een lesje Groenlandgeschiedenis. Daar word je niet vrolijk van.
Voor de komst van de Denen wonen de jagers in kleine, zelfverzorgende groepen langs de kust. Ze leven van de visvangst en de zeehondenjacht. De kolonisatie door de Denen verstoort de balans. In de loop van de tijd wordt de harpoen vervangen door het geweer. De kajak krijgt een buitenboordmotor. Jagen is makkelijker, de vangst wordt groter. Alle pelzen worden opgekocht door de Koninklijke Groenlandse handelsonderneming.
Het keerpunt komt in 1967. Het is het jaar van ‘Save the Seal.’ (Red de zeehond) Er duiken filmpjes op van de zeehondenjacht in Canada. Daar worden piepjonge zeehondjes meedogenloos doodgeknuppeld op het ijs. In 1982 wordt de invoer van zeehondenpelzen in Europa sterk beperkt. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de bevolkingsgroepen die van de jacht afhankelijk zijn, zoals de Groenlanders. Maar het is al te laat. De campagne van de Franse filmster Brigitte Bardot is de nekslag voor de zeehondenjagers. De sociale problemen zijn gigantisch. De Inuit worden op alle niveaus steeds afhankelijker van de Denen. Die pompen jaarlijks miljarden kronen in het land en doen dat nog steeds.
In 2009 krijgt Groenland volledig zelfbestuur. De Deense regering is alleen nog verantwoordelijk voor buitenlandse zaken, justitie en defensie. In potentie is het eiland steenrijk. Zeldzame grondstoffen worden steeds beter toegankelijk vanwege de opwarming van het klimaat. De Chinezen, Europeanen en Australiërs staan te steigeren om te mogen mijnen. Hebzucht is troef.
Ook The Donald is geïnteresseerd. Sterker nog, de Amerikaanse boze buurman beweert het eiland linksom of rechtsom in te gaan lijven, desnoods met geweld. Hij doet dat uit ‘veiligheidsoverwegingen’ vanwege de strategische ligging van het eiland. Hij wil de Russen en Chinezen voor zijn. Maar dat gelooft geen mens. Mijn hartje bloedt. Het wonderschone, o zo kwetsbare, Groenland is een prooi geworden. Iedereen houdt de adem in. Europa is verdeeld en machteloos. De oranje zonnekoning gaat door roeien en ruiten.
De Deense minister van Buitenlandse Zaken Lars Løkke Rasmussen zal volgende week in Amerika moeten lullen als Brugman om Groenland nog te redden. Dat wordt een monsterklus. Rasmussens bijnaam is Løkke, dat lijkt een beetje op ‘lykke’, dat ‘geluk’ betekent. Hij zal het tijdens deze doldwaze soap hard nodig hebben. Go for it, Lars, for helvede!
JAAP VAN DEURZEN