Een tijdje geleden maakte u kennis met een ‘stukje’ uit de koker van mijn alter ego: Josephine van Deurzen. Dat ‘was’ een potig manwijf dat dertig jaar geleden schreef over haar eerstgeboren zoon Tim. De recensies waren lovend. Misschien een tikkeltje té. Bij onze groenteboer Appelkoontje werd ik ’s morgens bloedserieus begroet met: “Goedemorgen Josephine! Wat kan ik voor je doen, vrouwtje?” Daarna klapte iedereen dubbel van het lachen. Toen ik weer buiten stond heb ik via mijn broekzak even gevoeld of alles er nog goed bij hing. Gelukkig wel. Pff. 

Veel vrouwelijke lezers hebben me daarna gevraagd of ik vaker mijn feminiene kant kon laten zien. Het zweet breekt me uit. Die softe kant heb ik helemaal niet. Ik ben een lompe eigenheimer met een paarse jeneverneus. Ik zie moeders op straat verschrikt hun kroost vastgrijpen als ik aan kom lopen. Josephine van Deurzen werd ooit geboren uit nood. Ik had die vrouw uit mijn duim gezogen. Toen ik haar niet meer nodig had heb ik haar virtueel ‘begraven.’ 

Maar de klant is koning. Vandaar dit verhaaltje uit mijn archief. Ik ben een meester in het plagiëren van m’n eigen werk. Vrouwlief Blond, mijn eindredacteur, gaat schoorvoetend akkoord. Ze vindt dat rollenspel maar niks. Sarcastisch vraagt ze of ik tijdens het schrijven misschien een wijde zomerjurk aan wil trekken om in de sfeer te komen. Ze wil ook wel een laagje mascara op mijn oogleden aanbrengen. Ik wijs het aanbod manhaftig af. 

Onderstaand verhaaltje is een ode aan alle oppas-oma’s-en opa’s. Daar zie ik hondsvermoeide kuddes van langs paraderen aan de overkant van de gracht. Waar zou de generatie werkende dertigers zijn zonder hen? 

JAAP VAN DEURZEN

WILLETJE

“Nou, hij heeft wel een willetje, hè!” zegt mijn vader en pulkt een lepeltje yoghurt uit zijn oor. Een wil: “Het menselijk vermogen bewust te streven naar, of over te gaan tot het verrichten van een handeling, waarvan het resultaat gewenst wordt, dan wel naar het doen intreden of bestendigen van een toestand,” dicteert de “Dikke” in duidelijk Nederlands.

Mijn verwekker heeft het in zijn malle hoofd gehaald om vrijwillig zijn kleinzoon te voederen. Dat staat gelijk aan het temmen van een gedragsgestoord gorilla-jong. De bedoeling is goed. De lieverd wil me ontlasten. Als moeder maak ik dit omslachtige ritueel dagelijks minstens drie keer mee. Mijn heerlijke zoon Tim streeft er altijd naar om vochtig voedsel in mijn gezicht te sproeien. Met opgebolde wangen lanceert hij loepzuiver ladingen babyprak in mijn giechel. Bij het zien van het resultaat kraait de boef van het lachen. Missie geslaagd. Ik zie eruit alsof ik aan een zware ziekte lijd. Af en toe lik ik iets van die lauwwarme smurrie van mijn lip. Beschaamd moet ik toegeven dat ik die kleffe troep ook niet door m’n strot zou krijgen.

Mijn haar zit vol met stukjes doorweekte kleutergranen. In mijn angstdromen zie ik zwervers met smaak volledige maaltijden uit mijn pruik plukken. De brutaalste onder hen vlooien me daarna nog als een moederaap voor de restjes. Elke keer als ik Tim zo zie lachen houd ik het ook niet droog. Mijn tranen trekken grillige sporen in de blubber op mijn wangen. Ik ben blij dat we driehoog boven wonen en geen inkijk hebben. Op de begane grond zou ik allang gehuld in een dwangbuis met een busje zijn afgevoerd. Zoonlief zou via Jeugdzorg bij een pleeggezin terecht zijn gekomen. 

“Je moet het steviger aanpakken!” raadt zijn vader Jaap me aan. Hij werpt zich op als dé voedingsdeskundige.’ “Je bent veel te lief! Je moet doorpakken. Het schiet natuurlijk niet op als je gaat zitten wachten tot meneertje een keertje zijn hapje papje wil doorslikken.” Hij kijkt me quasi verontwaardigd aan en spreidt zijn armen.

Zelf blijft hij wijselijk buiten schot. “Ja, dan zitten we allemaal onder, hè? Ik wérk!” zegt hij beledigend zonder het door te hebben. Ik kijk bedroefd naar de uitpuilende wasmand en de stofzuiger en voel me als Hausfrau en moeder miskend. “O jeetje, pappie moet werken. Wat zielig. Ja, zó ken ik er nog wel ééntje,” sist een vilein stemmetje in mijn achterhoofd. “Hij staat erbij alsof ie elk moment onder de balen moet. Meneer houdt verdomme alleen een microfoon vast. Wat een mafkees.”

Even twijfel ik of ik het lepeltje met yoghurt achter mijn boventanden zal klemmen om hem een klodder zuivel op z’n smoel te schieten. Maar ik zie mezelf alweer wassen en strijken. Daar heb ik geen zin in. Ik heb er ook de fut niet voor. Ik ben zó moe.

Ik verzin een list om verder te gaan met het voederen van mijn spruit. Het is weer het aloude spelletje. Het lepeltje verandert afwisselend in een torpedo of een kruisraketje. Dat hangt af van de snelheid waarmee ik het ‘wapentuig’ in zijn weke baby-bekje prop. Rochelend als Rambo gorgelt de boender elke hap pap weg. Het is een oorlogszuchtig ventje. Wéér gaat er een pacifist verloren. 

JOSEPHINE VAN DEURZEN