“Heb jíj́ mijn telefoon nou weer ergens neergelegd? Ik kan hem nergens vinden!” blèrt Blond met vuurspuwende ogen. Het is de derde oorlogsverklaring deze week. De casus belli schuilt in de woordjes ‘nou wéér’. Daarmee suggereert ze dat ik haar spullen als paaseieren loop te verstoppen. Welkom in de wondere wereld van vrouwlief Blond. We hebben het dan over haar iPhone, sleutels, leesbril, portemonnee, NS Flex Dal Voordeel-pas, lippenstift, lipgloss, mascara, creditcard, museumkaart, bankpasjes, sneakers, Italiaanse pumps, paraplu’s etc. Het zoekraken van die spullen is een dagelijks ritueel. ‘Waar is dit? Waar is dat?’ Vroeger werd ik er gillend gek van. Maar alles went. Ik ben zelf geen haar beter. Het verschil is dat ik niemand beschuldig.
Ik ken inmiddels het klappen van de zweep. Binnensmonds murmel ik mijn vaste mantra: “Ze is niet boos op mij maar op zichzelf. Ze zoekt een zondebok. Ik ben een makkelijke prooi. Ik weet dat het goed komt.”
Dat doe ik vierhonderd keer. Tot nog toe hebben we haar mobieltje altijd teruggevonden.
Soms ligt dat ding op de raarste plekken. Zoals die keer dat de uitgebluste dame van de uitvaartorganisatie op visite is. Ze is op de bank gaan zitten om uit te leggen hoe we het voordeligst onder de grond kunnen komen als de tijd daar is. Ook een enkeltje crematorium behoort tot de opties. Opeens begint de vrouw zwaar te ademen. De ogen in haar grafmasker komen tot leven en gaan glinsterden. Ze bloost en lijkt de lol van het ter aarde bestellen weer hervonden te hebben. Als een verdwaald oehoe-jong begint ze opeens te piepen: “Oe! Oe! Oe!” Wat blijkt? Ze is op Blonds mobieltje gaan zitten dat tussen twee kussens is gezakt . Het apparaat staat op standje ‘stil’ en is net drie keer overgegaan. Het onding ligt te trillen als een opstandige buttplug. Herboren stapt Eucalypta een uur later de deur uit en slaakt een diepe, tevreden zucht.
Terug naar Blond, die me nog steeds aankijkt alsof ze me ter plekke kan cremeren. Ik heb nu een aantal keuzes. Ik kan de vermoorde onschuld gaan spelen. Mijn mond valt dan wagenwijd open en ik trek mijn wenkbrauwen op. Ik priem mijn wijsvinger in m’n borst, en mime stomverbaasd in het Engels: ‘Me?’ Dat werkt niet, want die truc heb ik een dag eerder al gebruikt. Ik ben sowieso schuldig, basta. Ik maak dingen zoek, zij niet.
Ik kan ook in de rol stappen van de geëngageerde padvinder. Zo’n betweter die in drie tellen een moeilijke mastknoop maakt. Zo’n manneke dat fier zegt: ‘Kalm aan, meisje, dat varkentje gaan wij even wassen.’ Ik zie mijn oude buurjongen nog voor me. De mollige scout kon met zijn Zwitserse zakmes met vijftien gereedschappen alles oplossen. Of hij er ook mobieltjes mee op kon sporen, blijft een vraag.
Rustig blijven is nu belangrijk. Het is in dit stadium niet verstandig om grappen te maken. Dat heb ik wel eens een keer geflikt: “Blond, jouw telefoon staat altijd op stil. Kan ie zo beter ontsnappen?” Die avond zat ik twee uur lang op de afdeling spoedeisende hulp.
De held die ooit een app uitvindt waarmee je een mobieltje bestraffend kan toespreken, verdient wat mij betreft een Nobelprijs. “Hé, rotzak, waarom doe jij zo moeilijk? Stop met die flauwekul. Waar ben je?” Vervolgens horen we zo’n opgewonden kleuterstemmetje: “Hier! Pak me dan als je kan!” Je kunt dat pokkending daarna alsnog uit pure frustratie tegen de muur keilen. Maar goed, zo’n app is er niet. Ik stel daarom de obligate vragen: “Waar heb je hem voor het laatst gehad? Kijk even in je tas! Heb je op het aanrecht gekeken? Je hebt hem toch niet in je jaszak gestopt, hè? Zal ik proberen om je te bellen, misschien horen we hem brommen?”
Ik bel haar vijf keer. Opeens horen we ergens het subtiele geknor van het mobieltje slash seksspeeltje. Eureka! We kijken elkaar aan en stuiven naar de plaats delict. Haar iPhone ligt in exact dezelfde spleet tussen de kussens. “Zullen we die bank ritueel verbranden,” opper ik okselfris. Er komt geen antwoord. Ze is hondsmoe en kijkt me droef aan.
Ik stel voor om een mandje op het bijzettafeltje te zetten waar we bij thuiskomst alles in kunnen dumpen. Maar dat vergt een zekere discipline, die we waarschijnlijk niet op kunnen brengen. “Zullen we in ieder geval een reserve-mobieltje kopen?” zeg ik genereus. “Voor als ik deze kwijt ben?” vraagt ze bedeesd. “Nee Blond, voor als we elkaar straks kwijt raken!” antwoord ik quasi lollig. Er verschijnt een glimlach rond haar mond. “Nee hoor, dat gebeurt niet, schenk jij maar snel een wijntje in,” zegt ze zuchtend. Het sein staat weer op groen. De dag is gered.
JAAP VAN DEURZEN