“Kalimera! Ti kanis?”* vraagt het Griekse vrouwtje uitnodigend aan het paartje dat langs het terras loopt in het stadje Myrtos op Kreta. “Kààli op je kàànus, ouwe vlooienbaal,” antwoordt een bejaarde Amsterdammer op zijn Mokums en begint te proesten. Het kromgetrokken kaboutertje begint ook te gieren, hoewel ze hem niet verstaat. Haar mondholte lijkt op een uitgebrande vulkaankrater. De pikzwarte tandstompjes staan erbij als glinsterende grafzerkjes. Een tandarts zou daar manjaren werk aan hebben. ‘Dat wordt kersen plukken!’ hoor ik hem jubelen tegen zijn assistente. “Kassa!” Het is opeens dolle pret op het terras, want ook twee Fransen zijn aangestoken door het uitbundige gekraai van de twee lachebekjes. Dit is Babylonisch variété onder de Griekse zon.
“Op je kààli kàànus,” brult de man nog een keer met verstikte stem en moet het hardst om zichzelf lachen. Zijn echtgenote kijkt bezorgd en zegt tegen de taalvirtuoos: “Sst Aad, zo is het wel weer genoeg, ophouden nou. Misschien verstaat ze het wel.” Ze pakt zijn onderarm beet. Het grijze permanentje ligt in losse rolletjes op haar hoofd. Het zweet gutst over haar wangen. Maar Aad krijg je met geen mogelijkheid stil. U kent die types wel. Hij probeert de Fransen hikkend uit te leggen wat een kàànus is en zegt: “Det is jor héd in Hollènds. Kàànus, jor héd. Joe no!? So funnie.” Tijdens het taalcollege tikt hij ritmisch tegen de zijkant van zijn schedel. De uitgelachen Fransen knikken beleefd en hebben geen idee wat de man zegt. Ze knagen verder op hun Griekse salade.
Moeke Pollewop schudt haar hoofd en waarschuwt nog één keer: “Kappen nou, Aad. Wil je hier op het terras een glas bier drinken?” Dat helpt. Ze zijgen neer op twee blauwe keukenstoelen. Mijn fantasie slaat op hol. Ze heeft dit reisje voor hem geboekt. Hij is dol op de zon en de Grieken. “Vooruit dan maar,” heeft ze gezegd, “zo vaak gaan we niet op vakantie.” Inmiddels telt ze elk uur af en denkt met weemoed aan haar twee kleinkinderen die ze een volle week niet zal zien.
Vrouwlief Blond en ik zijn op Kreta bezig met onze favoriete hobby, mensjes kijken. We maken een studie van de homo sapiens turistico. Dat is een vreemde mensensoort. In ons hotel zien we de meest bizarre exemplaren in het wild voorbijschuiven. In de ochtend zijn ze op weg naar de voederbakken. Het aanbod is gigantisch en maar weinigen kunnen maathouden. Sommigen strompelen naar hun plek met dienbladen vol gebakken eieren, hompen brood en kommen Griekse yoghurt met honing. Daarna komen ze minstens nog twee keer terug voor nieuwe porties.
We dopen haar Hermione. Het is een blije dertiger met een opvallende bril. Ze is tonnetje rond, maar het past bij haar. Als een zwaarlijvige prinses schrijdt ze zelfbewust de eetzaal binnen. Ze is gehuld in een kleurig, wijdvallend gewaad dat wel wat wegheeft van een hoepeljurk, hoewel de gebruikelijke stalen ring onderin ontbreekt. De hoepel wordt gevormd door het welvaartsvet op haar heupen en dijen. Haar borsten hangen als vlezige ballonnen op haar buik. Ze is prachtig!
Ons hotel ligt op 5 kilometer afstand van Ierapetra aan de zuidkust van Kreta. Dit gedeelte van het eiland is nog niet verziekt door het massatoerisme. Dat begrijp ik wel. De stranden bestaan uit groezelige zwarte kiezelstenen en de dorpjes langs de kust zijn rommelig. Onze vaderlandse welstandscommissie zou direct de opdracht geven om ze af te breken en opnieuw op te bouwen. Wat een gribus. Poseidon, de Griekse god van de zee en de aardbevingen gebruikte een paar weken geleden nog zijn drietand om de grond onder Ierapetra flink op te schudden en veroorzaakte een beving van 5.8 op de schaal van Richter. De ‘Aardschudder’ wilde blijkbaar een handje helpen om de boel een beetje te reorganiseren, maar de schade bleef beperkt. Gelukkig houdt de aardkorst zich koest tijdens ons verblijf.
De zon schijnt uitbundig uit een strakblauwe hemel. Het Griekse eten is heerlijk en de wijn is fris en fruitig. Wat wil je nog meer? Op de boulevard loopt elke avond een boomlange Griek met zijn bouzouki. Ik heb een zwak voor die man. Hij wil zó graag alle kunstwerkjes van Mikis Theodorakis spelen, maar hij kan het niet. Zorba’s Dance komt er hortend en stotend uit. Zijn vingers blijven constant steken tussen de snaren.
Ik ben zelf een gemankeerde gitarist en weet wat hij doormaakt. Ik wil mijn armen om zijn schouders slaan en de sirtaki met hem dansen zoals Anthony Quinn deed in de magistrale film Zorba the Greek uit 1964. Maar ik durf het niet en frommel verlegen een biljet van vijf euro in zijn borstzakje. Ik kijk verliefd naar rechts en zeg half tipsy: “Blond, je hebt een bruine kàànis. Ze klapt dubbel van het lachen. Alles is wel. U krijgt de groeten uit Griekenland.
JAAP VAN DEURZEN
*Goedemorgen! Hoe gaat het met u?
Jawel, daar is ie dan, de bundel ‘Van Deurzen draait door’ ligt nu in de boekhandel: