De dag begint met een valse start. Het overkomt me zelden, maar ik heb m’n iPhone-wekker verkeerd ingesteld. Dat rotding gaat om 5.50 uur af. Dat had een uur later moeten zijn. Verder slapen is onmogelijk. Het zij zo! Kop op! Moedig voorwaarts! Op naar het kleinste kamertje. Dat gaat ook niet lekker. Ik ben een gebruiker van hygiënische wc-doekjes. Dat vind ik wel zo fris na het kleien. Ik heb het daar om moverende redenen wel eens eerder over gehad.
Ik gebruik het Mega Pack EDET Vochtig WC Papier Amandel-12×42=504 vellen, Comfort Almond Milk 12, à raison van 30,80 euro. Het pak staat naast het peperdure stalen afvalemmertje van Brabantia, type ‘Touch’, met uitneembare kunststof binnenemmer. ‘Edet vochtig toiletpapier is plasticvrij, doorspoelbaar en biologisch afbreekbaar,’ staat in de productbeschrijving. ‘Wij geven om onze aarde, jij toch ook?’ Die foute vraag geeft de doorslag. Ik voel me ecologisch ingedekt.
Ik heb eerder zo’n EDET-zakje met een zuignap aan de muur gehad. Daar zit ook zo’n piepklein gaatje in. Dat is bedoeld voor kabouterfikken. Zelf heb ik dikke vierkanten vingers. Half gedraaid op de bril probeer ik die natte servetjes uit dat mini-gat te peuteren. Dat vereist chirurgische handigheid. Een combinatie van fijne motoriek en oog-en vingercoördinatie. Dat kun je aan mij wel overlaten… maar niet heus!
Soms duurt het een eeuwigheid voordat ik zo’n vochtig velletje tussen m’n nagels heb. Ik heb er simpelweg geen geduld voor. Als een wildeman sjor ik geïrriteerd aan die doekjes. Geregeld trek ik de hele inhoud in één lang lint uit dat vervloekte zakje. Ik vind het vervolgens zonde om die vormloze, natte bal in het peperdure stalen afvalemmertje type ‘Touch’, met uitneembare kunststof binnenemmer van Brabantia te gooien. Sterker nog, ik ga er alsnog mee aan de slag op de plaats delict. Dat voelt raar aan. Met een beetje pech kun je zomaar fout mikken en in een achterstandswijk van Darmstadt belanden. Lang verhaal kort, dat gebeurt dus. Bent u er nog?
De rest van de dag wordt er ook niet beter op. Alles wat fout kán gaan, gaat fout. Zo lees ik in de krant dat de botten van Charles de Batz de Castlemore zijn gevonden in Maastricht. Het is wereldnieuws. Mijn hartje maakt een vreugdesprongetje. Franse Charly was ooit één van mijn grote jeugdhelden. Dat zijn botten in de Limburgse löss liggen vind ik een grote eer. Hij was de graaf van Artagnan en leider van de musketiers, een elitekorps dat diende als lijfwacht van de Franse koning Lodewijk de XIV. D’Artagnan kreeg in 1673, tijdens de belegering van Maastricht, een musketkogel door zijn keel en werd ‘waarschijnlijk’ ter plekke begraven.
De drie musketiers werden later bijna heilig verklaard in het boek van schrijver Alexandre Dumas. Als boender op straat eiste ik altijd de rol van D’Artagnan op. Zijn naam verhaspelde ik tot ‘DarterJan’. Wist ik veel. Ik zag alle films van de drie Musketiers en kwam erachter dat het personage van d’Artagnan vaak werd vertolkt door knappe acteurs. Die rol was dus op mijn lijf geschreven. Ik was vroeger een androgyn jongetje met schouderlang haar, spierwitte tandjes en een wasbordje. Ja, ja, ik hoor u wel, daar is weinig van over. Dank.
Opeens hoor ik het slechte nieuws. Er is twijfel ontstaan of de botten van de vermeende d’Artagnan nog wel geïdentificeerd kunnen worden. De oud-stadsarcheoloog heeft, tegen beter weten in, de beenderen in een plastic AH-tasje geflikkerd en mee naar huis genomen. Mogelijk zijn de botten daardoor beschadigd en is DNA-onderzoek niet meer mogelijk. Ik kan wel janken. Wat een klotedag.
Maar hoe donker de dag ook lijkt, er is altijd een lichtpuntje. In het Tergooi ziekenhuis in Hilversum wacht me een grote verrassing. Mijn cardioloog verklaart officieel dat mijn vorig jaar op hol geslagen tikker weer miraculeus is hersteld en zegt: “Je hart heeft een normaal ritme en de pompfunctie is weer als vanouds.” Ik zoen hem bijna op z’n lippen. Helemaal hyper hink-stap-spring ik zijn spreekkamer uit. De dag is gered.
De pret duurt niet lang want opeens hoor en zie ik haar. Een bejaarde vrouw zit op een bank in de wachtruimte luidkeels te huilen. Het is een hartverscheurend tafereel. Mijn hart breekt, de tranen wellen op in mijn ogen. Haar wanhoopskreet staat in schril contrast tot mijn euforie. Ik wil haar omarmen en zeggen dat het goed komt. Maar ik durf het niet. Haar verdriet is te intens, te intiem. Laf loop ik door. Ik heb gelijk spijt. Buiten vraag ik me af waarom ik niet naast haar ben gaan zitten om haar te troosten.
Bij thuiskomst brengen Blond en ik een toast uit op het cardiologische wonder. Feestelijk wordt het niet want er blijft iets aan me knagen. Ik heb de blues en denk aan de arme vrouw in het ziekenhuis. Het is een goeie les. Volgende keer pak ik dat anders aan. Morgen weer een dag.
JAAP VAN DEURZEN