“Spekkie, kijk eens even naar deze fiets,” zegt een vrouw tegen haar partner in één van onze lokale fietsenwinkels in Weesp. Als ik haar verbaasd aankijk zegt ze belerend: “Ik vind dat hij te weinig beweegt, dus ga ik een fiets voor hem kopen.” De man, die een brutaal jongenshoofd heeft, knipoogt naar me en kijkt ietwat beteuterd naar beneden. Hij heeft een bolle buik en draagt een spekkig Michelinbandje rond zijn heupen. Berustend haalt hij zijn schouders op. Het is het universele, verontschuldigende gebaar van een hulpeloze man: ‘Ik kan er niks aan doen. Die kilo’s vlogen eraan! Uit het niets! Echt waar!’
Ja, ammehoela! Leer mij de Spekkies van deze wereld kennen. Ik ben er zelf één. Ik zou de voorzitter van het Spekkies-gilde kunnen zijn. Ook deze man heeft de uitstraling van een bandeloze lekkerbek. Op zijn voorhoofd staat een virtuele tatoeage met ons gezamenlijke levensmotto: ‘Wein, Weib und Gesang!’ Spekkie spuugt niet in z’n biertje. Ons kent ons.
Ik kom erop omdat ik Blond ook wel eens ‘Spekkie’ noem, zij het niet in het openbaar. Het is lief bedoeld en heeft niks te maken met een teveel aan lichaamsvet. Sterker nog, die blonde heeft de taille van een insect. Ja, inderdaad, een wesp. Dat is een mooie vergelijking. Om op de been te blijven, mikt ze elke dag een mud voedsel naar binnen. Ze gaat daar tot laat in de avond mee door. Een extra hypotheek zal ooit een optie worden.
Ik begrijp onze rebelse, Turkse vriendin wel. Ik noem haar de Zigeuner. Zij heeft, net als ik, levenslang. Dagelijks knaagt zij als een schildpad een portie slabladeren weg. Ze heeft van de weeromstuit een nieuwe bijnaam voor Spekkie ‘Blond’ bedacht: K..wijf. Blond beschouwt het als een geuzennaam en werpt nog twee slagroom-tompoucen naar binnen. Dat zal haar leren.
Heeft u zich ook wel eens afgevraagd waarom we onze geliefden en vrienden de meest bizarre koos- en bijnamen geven? We verzinnen werkelijk de gekste aliassen: Moppie, poppie, poepie, poesje, schatje, scheetje, schoonheid, tijgertje, lachende gulden, bloedhond, ga zo maar door.
Ik heb door de jaren heen van alles naar Blonds’ hoofd geslingerd: apie, beertje, bolletje, beest, flappie, blonde mandril, smal, speer, spekkie. En waarschijnlijk nog een trits andere koosnamen die ik inmiddels ben vergeten.
Blond is zelf nooit zo creatief geweest. Afhankelijk van haar bui noemt ze me: “Kwal, Lubstek, of Mafkees. Welkom bij de KLM, fasten your seatbelt. ‘Kont’ is uit de gratie. Waarom weet ik niet, want dat lichaamsdeel heeft door de jaren heen aan spierkracht en vorm niks ingeboet. Op mijn billen kun je kokosnoten kapotslaan. Michelangelo eat your heart out!
Natuurlijk hebben wetenschappers het fenomeen ‘koosnamen’, onderzocht. Want die onderzoeken alles, ook het nut van lange washandjes. Een van de uitkomsten is dat vrouwen minder geneigd zijn om hun partner aan te spreken met een vleiend troetelnaampje. Mannen doen dat wel en kunnen er geen genoeg van krijgen. De Amerikanen zijn koplopers, want 87% zou zo’n koosnaam gebruiken voor de partner. De top tien bestaat uit: ‘Angel, Babe, Cutie, Darling, Dear, Honey, Love, Princess, Pumpkin en Sweetheart. (Ik zou direct m’n biezen moeten pakken als ik Blond ‘Pompoen’ zou noemen)
De Europeanen zijn wel wat nuchterder en hobbelen achter de Amerikanen aan met 74% (troetel)naamgevers. Hoe ze in vredesnaam aan al die cijfers komen is me een raadsel. Volgens mij kun je menselijk gedrag, door middel van een simpel steekproefje, niet zomaar vertalen in een trend. Toch slikken we het als zoete koek. Ik gebruik die cijfers ook voor dit stukje, hahaha. Het behoort tot het mysterie van statistieken. We trappen er allemaal in.
Zo’n koosnaampje kan overigens geen kwaad. Volgens de geleerde onderzoekers zou het geven van een troetelnaam de relatie kunnen versterken. De meerderheid van alle ondervraagde mensen die eenvoudige bijnamen gebruiken, zoals liefje of schatje, melden dat ze tevreden zijn met de relatie. Joepie! Alleen ik snak dus naar een acceptabele koosnaam. Afgelopen weekend werd ik op mijn wenken bediend.
Ik speel tegenwoordig in een oergezellig bluesbandje. Tijdens een verjaardagsfeestje van een van de leden kreeg ik opeens een bevlieging en zette het Kufsteiner Lied in. Dat is een soort Alpine-blues. Tussen de coupletten door wordt er in dat Lied gejodeld. Jodelen is de hardste communicatievorm die met een menselijke stem mogelijk is. Dat is ook wel logisch als je grote afstanden moet overbruggen in de bergen. Het is misschien heel onbescheiden, maar ik kan dat ook heel goed. Ik kom dan wel uit het platste pannenkoeken-landje ter wereld maar ik kan in Weesp mijn bek flink opentrekken. Daar hebben bewoners in Loenen wel eens over geklaagd. Na de laatste uithaal word ik uitbundig bejubeld. Na thuiskomst steekt ook Blond haar bewondering niet onder stoelen of banken en noemt me spontaan haar ‘Jodel-Jacobus!‘ Jodelahiti!
JAAP VAN DEURZEN