Let op, de Van Deurzentjes gaan zich in dit opstel kwetsbaar opstellen. Geloof me, daar is lef voor nodig. Eerst ga ik een paar harde feiten op een rijtje zetten:
- Blond en ik zijn niet achterlijk! We lezen fatsoenlijke kranten, gaan naar concerten en stappen in verwarde buien wel eens een museum in.
- Digitaal staan we ons mannetje, maar we kennen onze grenzen. We geven elkaar een bescheiden Balkenende-zesje als het gaat over het gebruik van kunstmatige intelligentie.
- We zijn in de herfst van ons leven. Hein wacht op z’n scooter twee straten verderop en laat de motor lopen. Statistisch gezien mogen we bijna beginnen met het schrijven van de rouwkaarten. Maar ik zeg er wel bij dat we er absoluut nog niet aan toe zijn. Die magere mafkees met zijn zeis mag dus elke dag onverrichterzake terugkeren naar Hotel Terminus. “Mijn tijd komt wel,” mompelt de kwal vals.
Dit horrorverhaal gaat over het aanvragen van een bankpasje voor Blond. Als u moeite heeft met inslapen, lees dan in vredesnaam niet verder.
Hoofdstuk één: Hoe chatbot Anna ons horendol krijgt!
“Hallo Anna” begin ik beleefd, want ik blijf er van overtuigd dat er stiekem op de achtergrond een mens meekijkt. “Ik wil een bankpasje voor mijn vrouw aanvragen,” schrijf ik nederig aan de chatbot. De volgende vraag-en antwoordsessie ga ik u besparen. Binnen vijf minuten staat het schuim op mijn lippen. Anna heeft geen kaas gegeten van bankpasjes en communiceert ongeveer in spijkerschrift. Wat te doen?
Opeens verlang ik naar vroeger. Het was de tijd dat ik fluitend een bankfiliaal instapte en werd geholpen door charmante, lieve vrouwen van middelbare leeftijd met bobkapsels en brillen. “Zullen we beginnen met een kopje koffie?’ vroegen ze vriendelijk. Gezellig vertelde een van de vrouwen dat haar man Theo thuis zat met een zwakke rug en een WAO-uitkering. De hele dag door keek hij naar gedateerde voetbalwedstrijden. Hij deed de boodschappen en slingerde een stofzuiger door het pand, schilde de piepers en wachtte tot moeder de vrouw weer thuiskwam. Gezelligheid kende geen tijd. Na een half uurtje huppelde ik tevreden met mijn nieuwe pinpas de bank uit. Met chatbot Anna ben ik inmiddels op voet van oorlog. Op straffe van digitale mishandeling eis ik een gesprek met een mens van vlees en bloed. Bij Gods gratie krijgen we een telefoonnummer dat we mogen bellen.
Hoofdstuk twee: de hulplijn van Pim.
We krijgen Pim aan de lijn. Het lijkt ons een sympathieke man met het geduld van een engel en waarschijnlijk een verleden in de geriatrische zorg. Met een zijige, zalvende stem staat hij ons te woord. Ik denk dat hij thuis een echtgenoot heeft die Harm heet. Ze zijn al dertig jaar samen en gaan binnenkort weer met de caravan naar Frankrijk. Pim maak je de pis niet lauw over een pinpas. Blond heeft haar Iphone in de aanslag. Dit komt goed, denkt ze dan nog, maar niet heus. Tot twee keer toe verdwalen we aan de hand van Pim in de digitale krochten van de ABNAMRO-app. Virtueel komen we vlakbij het heilige der heiligen, de kluis vol bankpasjes. Het enige dat Blond nog moet doen is een foto van zichzelf maken. “Hoe?” vragen we synchroon, want we hebben geen flauw idee. “Gewoon de camera op jezelf richten en klikken,” hijgt Pim. Ja, dát kunnen we wel, want dat doen we om de haverklap. Maar op de een of andere manier lukt dat nu niet. De hulplijn wordt twee keer afgebroken. Drie keer scheepsrecht is er bij de bank niet bij. “Ik zet jullie door naar mijn collega,” huilt Pim.
Hoofdstuk drie: de exotische hulplijn van Shanaya.
“Hallo, ik ga jullie helpen, hoor!” lispelt Shanaya. Ik krijg de geur van kousenband en masala kip in mijn neus. Wat een lieverd. Na zeven minuten zijn we aan haar heerlijke Surinaamse accent gewend. We beginnen opnieuw aan het gecompliceerde ritueel en zijn nu al bijna drie kwartier verder. Weer stuiten we op die vervloekte horde van de selfie. Blond begint te wanhopen. “Hoe moet ik dat dan doen?” fluistert ze met gesmoorde stem, een traan rolt uit haar rechteroog. Ze scrolt achteloos met haar vinger over het schermpje. Opeens zien we onderin een knop waar ze blijkbaar op moet drukken. Klik! Eureka! Het is gelukt. We hebben een foto, zij het van héél dichtbij. Het portret lijkt op een mugshot van de politie.
Het is alsof er een malloot een fietspomp in Blonds’ neus heeft gestoken en als een malle is gaan pompen. Met haar opgezwollen hoofd ziet ze eruit als een beschonken tippelaarster die van de straat is geplukt. Als bankdirecteur zou ik zo’n vrouw van alles geven, behalve een bankpasje. Maar Shanaya is over de rooie en is achter haar bureau aan een Kaseko-dansje begonnen. Haar enthousiasme is aanstekelijk. Na vijf werkdagen zal er een splinternieuwe ABNAMRO-pas inclusief een nieuwe pincode in de bus vallen, belooft ze ons plechtig. “Hele goeie weekend, lieve mensen,” zingt ze zachtjes. Op de achtergrond horen we het feestelijke geluid van een trompet. Hondsmoe vallen Blond en ik in elkaars armen. We hebben het gevoel dat we een Herculiaanse klus hebben geklaard!
JAAP VAN DEURZEN