“Zeggie tante Bé geen gedag meer dan?” zingt ze op z’n Rotterdams tegen m’n rug. Ik sta op het punt om uit te stappen bij de metrohalte Coolsingel. Vaag zie ik haar reflectie in het raam van de deur.
Het overkomt me nog vaak dat mensen me groeten als een oude bekende. Soms weten ze alleen niet meer wáár ze me precies van kennen en staren me vervolgens glazig aan. “Verslaggever RTL-Nieuws,” verklap ik direct. Dat scheelt een hoop tijd. “Ja, dat klopt, leuk om je een keer in het echt te zien!” Heerlijk.
Ik draai me om en kijk in een leuk, ondeugend gezicht. Ik schat haar rond de zestig. Ze heeft zo’n chaotische coupe ‘windhoos’ die stijf staat van de gel. Vanuit haar rechteroog lekken twee getatoeëerde traantjes over haar jukbeen. Het geeft haar gezicht iets clownesk. In haar decolleté zou je makkelijk twee Statenbijbels kunnen verstoppen.
“Wat sta je nou naar m’n twee jongens te staren, mafkaan? Die hebbie toch wel vaker gezien? Ik heb jarenlang tegenover je gewoond. Maar jij kèn mij niet meer, hè? Bé! Ik ben je liefste temeiertje van de Kaap. Hoe kèn het nou dat jíj́ mij niet meer kan, man? Bé, van Koos! Dié ken je toch wel?” Ze lacht een rij spierwitte kronen bloot. Op haar hoektanden zitten kleine briljantjes die flikkeren in het kunstlicht. Ze spreekt alle ‘t’s’ kletsnat uit, à la Jopie Parlevliet, het hilarische typetje van de Rotterdamse cabaretier Richard Groenendijk.
Ze steekt haar arm brutaal onder de mijne. Samen stappen we het perron op. Ze gaat pontificaal voor me staan en zegt: “Kijk nou ’s goed naar me.” Pas dan valt het kwartje. “Bé van Koos, ja natuurlijk,” stamel ik nog onzeker. Het ligt op mijn lippen om te zeggen dat ik haar, dertig kilo zwaarder, niet gelijk heb herkend. Maar ik houd me in.
Ook Koos de Kuif schiet opeens weer op m’n netvlies. Hij was een pooier van de oude stempel die drie bloedmooie meiden voor hem had werken op Katendrecht. Hoe krijgt hij het voor elkaar, vroegen veel mannen zich af. Koos was een graatmagere gigant met een scherpe kaaklijn en fonkelende, donkere ogen. Hij zou met glans elke schurkenrol kunnen spelen in een film. Bovenop die keiharde kop stond een volvette Elvis-kuif. Tussen zijn lippen was een sigaret gesoldeerd. Met zijn strakke, zwarte pakken en zijn glimmende schoenen was hij helemaal het mannetje. De Chinezen op Katendrecht lieten hem als één van de weinige westerlingen mahjong spelen in hun gokhuizen. Koos was, met z’n drie prachtige prijsvechters, een gevierd man. In bomvolle kroegen deelde hij rondjes uit. Maar hij kon ook met gemak een kapot bierglas in iemands gezicht steken. Je wist nooit hoe de vlag erbij hing.
Bé wist er alles van. Op een dag had ze een klierende klant die over van alles en nog wat door bleef zaniken. Na gedane zaken stopte ze stiekem het gebruikte condoom in zijn jaszak. Een dag later kwam de man verhaal halen. Koos gaf hem z’n geld terug en sloeg Bé het ziekenhuis in. Haar gezicht lag in gruzelementen. Na maanden kwam ze bijna kruipend naar hem terug en smeekte om weer te mogen werken. “Heb ik weer,” zou Koos gezegd hebben, maar hij nam haar wél in genade aan.
“Hoe is het met je?” roep ik over het geluid van de metrotreinen. “Koos is dood,” zegt ze zacht. Een echte traan glijdt over de neppers van inkt. “Kanker in z’n longen. Die gek heb zich helemaal kapot gerookt. Hij pafte drie pakkies per dag weg. Koos haalde adem door een peuk, joh. Zielig hoor, er bleef niks van hem over. Ik heb heel wat af gejankt. Maar ja, je mot verder, hè? Hij heb me goed achtergelaten, hoor. Ik kom niks tekort. Ik heb ook nog een paar vaste klantjes.”
“Hoe is het nou met m’n mannetje van de radio? Ik zag je opeens op tv, joh. Ik sloeg steil achterover. Jaap van de Kaap, krijg nou wat! Je kon het wel mooi vertellen, hoor. Ik zette de tv altijd harder als jij kwam. Zat ik tegen dat scherm aan te lullen. “Goed zo, Japie!” Ik heb niet alles gezien, hè. Ik lag vaak op m’n rug natuurlijk, hahaha. Koos vond het ook gers wat je deed in die gevaarlijke landen. Die kwam zelf niet verder dan de Bijerlandselaan. Daarna holde hij weer héél hard terug naar de Kaap. Natuurlijk was het een moeilijke man, maar hij had ook z’n goeie kanten.
Leuk je effe gesproken te hebben, Jaap. Weet je dat ik speciaal voor jou een halte éérder ben uitgestapt? Hoe vin je die? Ik mot eigenlijk naar de Koopgoot. Nou, dag lieve schat.” Bé drukt een dikke zoen op mijn wang en heupwiegt weg.
JAAP VAN DEURZEN
P.S. Vorige week viel Be’s rouwkaart op de mat.