Ik rijd over de Melkmeent in het allereerste natuurreservaat van Nederland: het Naardermeer. Het is een van mijn favoriete plekken. Ik ben geen zwever maar ik voel me hier altijd zó senang. Ik ben op weg naar Weesp en rijd wat langzamer om het schitterende landschap voor de zoveelste keer in me op te nemen. En dan gebeurt het.
Honderd meter voor me fietst een knul van een jaar of vijftien op een zwarte fatbike. Hij is druk bezig met zijn mobiele telefoon en slingert van links naar rechts op de landweg. Hij heeft van die draadloze witte doppen in zijn oren. Die doen me altijd denken aan oude sciencefictionseries zoals Star Trek: ‘Beam me up Scotty!’ Ik kan fietsbellen wat ik wil maar hij hoort me niet en blijft zwalken.
Het is tijd voor zwaar geschut. Het Rotterdamse straatschoffie in mij wordt wakker. Als een geschifte Feyenoord-hooligan slaak ik een oerkreet en schreeuw met uitroeptekens: “Hé!! Klojo! Kijk effe uit, man! Ga lekker even thuis bellen. Je bent een gevaar op de weg! Aan de kant, man! Achterlijke bat!”
Het manneke schrikt zich het leplazarus. Zijn mobieltje springt als een hondsdolle kikker uit zijn fikken en belandt op het asfalt. Hij vliegt nog net niet met z’n ‘vette fiets’ de sloot in. Twee knobbelzwanen, die hier wonen, flapperen wild met hun vleugels als de puber langs zeilt.
“Dank je wel!”, roep ik drie octaven vriendelijker, want mijn boosheid duurt nooit langer dan tien seconden. Missie geslaagd. Ik verwacht nu wel dat het manneke zijn mobieltje opbergt en zijn excuses maakt. Maar ik kom bedrogen uit. Schuimbekkend brult hij tegen mijn rug:
“Hé Bro, what the fuck, man! Ouwe koekwous! Fak af, bruh! Akward, mèn! Skeer!” En zo gaat hij nog even door.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik niet alles versta. Ik heb me nooit verdiept in zijn straattaal. In de loop van de tijd heb ik wel hap snap een paar uitdrukkingen meegekregen. Ik stap af en maak als teken van verzoening een diepe buiging en kir debiel: “Toedeloe, koetjeboe! Niet zo biggy doen, maatje! Dat zuigt, man! Dit is echt cringe, noob. Jij bent gewoon een big brain!”
Ik heb geen idee wat ik zeg, maar ik vind het wel kek klinken. Hij kijkt me aan alsof ik met mijn fietsie van Pluto ben gelazerd. Ik stap fris weer op en rijd verder.
Bij thuiskomst blader ik schuldbewust in de boekjes van collega Jan Kuitenbrouwer. Wat blijkt? Wij waren geen haar beter. Ook wij konden er taalkundig een zooitje van maken. “Lagen jullie in de lift te kopiëren?! God-Allah-Hiroshima-twee-achtendertig! Dat vind ik gers, gaaf, wreed!”
In 1987 verscheen de bestseller Turbotaal, van socio-babble tot yuppie-speak. Dat boek ging over het modieuze taalgebruik van de jaren tachtig. Kuitenbrouwer verkocht er, naar eigen zeggen, meer dan 300.000 exemplaren van. In ons landje is dat een oplage van bijna Bijbelse proporties.
Kuitenbrouwer: “Het wonderlijke van Turbo-taal was dat de ene helft van de lezers het opvatte als een aanklacht tegen de verloedering van het Nederlands, terwijl de andere helft het las als een instructie voor hoe het op dat moment hoorde.”
Jan kreeg de smaak te pakken en herhaalde zijn kunstje. Boekjes als Percies! Neo-Turbo, van yuppiespeak tot crypto-mumble, zagen het licht. Kuitenbrouwer werd dé kroniekschrijver van onze Newspeak.
Jongeren blijken door de jaren heen altijd grote aanjagers te zijn geweest van nieuw taalgebruik. Regels zijn natuurlijk ‘chill’ zolang ze de creativiteit maar niet in de weg staan. Maar alle taalvondsten verdwijnen van lieverlee weer. Hoewel…
De juweeltjes van taalvirtuozen Kees van Kooten en Wim de Bie zijn volgens mij wel blijvertjes. Wie kent ze niet: De ‘Regelneef’, de ‘Vieze man’, ‘De Geilneef’, een ‘Clavan’ en wethouder Hekking? In de dikke Van Dale staan zo’n veertig woorden en uitdrukkingen die de twee hebben verzonnen.
Zo krijg ik bij de term ‘vrije jongens’ gelijk F. Jacobse en Tedje van Es op m’n netvlies. Deze ‘louche zakenlieden’ gaven met hun ‘Tegenpartij’, ver voor hun tijd, het ‘rechtspopulisme’ een gezicht. Met fenomenale slogans als: ‘Geen gezeik iedereen rijk’ en ‘Samen voor ons eige…’ Hoe vooruitziend kun je zijn?
Tegenwoordig wemelt het van de ‘Tegenpartijen’, van Ja21, Carolientjes’s ‘tractorterroristen’ tot Thierry’s cryptofascisten. “Die kan lullen als een dronken aardbei. Daar moet de mattenklopper overheen”, hoor ik Wim de Bie nog zeggen. Ik zie direct het beeld voor me van Kees van Kooten die met een zwarte spuuglok de uil van Minerva zit te aaien.
Ik behoor inmiddels tot de ‘krasse knarren’, maar houd me nooit bezig met ‘doemdenken’. Ik ben en blijf een ‘positivo’. Van Kooten en De Bie waren mijn grote helden. Toch sluit ik af met een briljante zin van een anoniem millennium-meisje: “Je maakt wat mee als je nog niet dood bent.”
JAAP VAN DEURZEN