Er was er eens een heerlijk landje in het noorden van Europa

Ja, ja, de Van Deurzentjes zijn weer terug in Denemarken, mijn tweede thuisland. Een golf van nostalgie overspoelt me. Hier ga ik lang geleden naartoe als reisleider en freelance Scandinavië correspondent. Ik leer er die verdomd moeilijke taal. In het begin heb ik het gevoel dat ik constant moet kokhalzen als ik Deens probeer te spreken. Zeker als mijn vrienden me hun beroemde tongbreker tot vervelens toe laten herhalen: Rødgrød med ƒløde. (Rode pap met room) Het is de Deense variant van onze eigen gorgelende bekkentrekker waarmee we buitenlandertjes pesten: ‘Achthonderdachtentachtig prachtige grachten.’ Zet maar een teiltje klaar als een Scandinaaf die zin moet rochelen. Lachen!

Rødgrød med fløde. Probeer het maar eens. Als u een kunstgebit heeft zou ik er niet aan beginnen. Voor je het weet ligt het op uw schoot. Les 1: spreek de ‘d’ uit als een ‘dikke l’. Heeft u hem? Moeilijk hè? Krijgt u ook gelijk de kok uit The Muppet Show op uw netvlies? ‘Ø, Ø, Ø!’ Maar dat zou een Zweed zijn; die gebruiken weliswaar dezelfde klanken, maar het is toch een andere, zij het verwante, taal. Ik ga u helpen. Dit is een handleiding Deens spreken in wetenschappelijk koeterwaals: 

Probeer je tong te ontspannen, zodat de wortel naar beneden blijft terwijl de voorkant van je tong de rimpels, die je achter je voortanden kunt voelen, ‘benadert’. Dit geluid klinkt een beetje als een l, maar ook een beetje als de th-klank uit het Engels.” 

Sorry, dit slaat ook nergens op. Fonetisch dan maar, het wordt zoiets als: ’Reulkreul mil fleude’, maar dan anders. Mijn god, we stoppen ermee. Inmiddels heb ik de taal zelf redelijk goed onder de knie. De Vikingen kunnen me geen groter compliment maken dan me te vragen uit welk deel van Denemarken ik kom en welk spraakgebrek ik heb.

Als blije polderbewoners fietsen Blond en ik door de aangeharkte prairies van Funen, het tweede grootste eiland van Denemarken. De stilte grijpt ons bij de strot. We voelen ons alleen op de wereld. We zien een eeuwenoude vakwerkboerderij te koop staan. “Zouden ze er ook gelijk een lijkkist bij leveren?” vraagt Blond bloedserieus. Ze houdt van fietsen en natuurschoon, maar een beetje reuring in de tent kan volgens haar ook geen kwaad. Denk dan aan een paar chique winkelcentra met kledij, schoenen, bars en restaurants. Maar die zijn gelukkig in onze directe omgeving niet te vinden. Opeens begrijp ik de opmerking van mijn muziekleraar die ooit op de middelbare school tegen me zei: “We zijn op vakantie geweest in Denemarken. Wat een mooi land is dat en wat een oase van rust. Op een nacht werd ik plotseling wakker van de stilte.” 

Blond verbaast zich dagelijks over de duizenden wimpels en vlaggen die we overal zien. De Denen zijn een trots, nationalistisch volkjeDie moeten in ons land écht hun ogen hebben uitgekeken. Daar hing, met goedkeuring van Caroline 4 uit veld 5, onze driekleur demonstratief op zijn kop. Daar zou je in Scandinavië standrechtelijk voor worden geëxecuteerd. Ben je helemaal belazerd om de nationale vlag te beledigen. Over dat Deense dundoek is overigens nog een leuk verhaal te vertellen. Opeens staat de reisleider op in mij.

“Weet je Blond. Die rode vlag, waar dat witte kruis dwars doorheen loopt, wordt Dannebrog genoemd. Dat is de alleroudste nationale vlag ter wereld. Wist je dat? Nu wil jij natuurlijk hartstochtelijk graag weten wat de ontstaansgeschiedenis van die vlag is, hè, ja toch?” zeg ik met wijd opengesperde oogjes van voorpret. Ze kijkt me vermoeid aan.Daar gaan we weer, Einstein heeft een weetje en moet en zal dat absoluut delen’zucht ze inwendig. “Vertel, ik kan niet wachten!” blaft ze overdreven geestdriftig en stapt met tegenzin van haar fiets. Ik steek enthousiast van wal. 

“De Denen vertellen iedereen dat die vlag tijdens een veldslag in Estland in 1219 uit de lucht is komen vallen. Het Deense leger is op dat moment de strijd aan het verliezen. De soldaten hebben het opgegeven en drinken als troost nog een paar laatste pullen pils en wachten de genadeklap af. Opeens komt die rood-witte Dannebrog-vlag uit het zwerk dwarrelen. De Vikingen zien het als een goddelijk teken en gaan helemaal over de rooie. Ze hakken de Esten alsnog fris in fruitig in mootjes en winnen de veldslag. Mooi hè? Het is natuurlijk wel een soort sprookje.” 

Blond kijkt me bozig aan, zoals vrouwen doen als ze naar een balsturige puber kijken die net stiekem een paar pakken peuken heeft staan roken. Zuchtend zegt ze: “Leuk, zullen we verder fietsen?’ Maar ik ben niet meer te stuiten en verklap dat de Denen dol zijn op sprookjes. Sterker nog, op zestien kilometer afstand van ons gehuurde huisje op de prairie blaast precies honderdvijftig jaar geleden de grootmeester van het sprookjesgenre zijn laatste adem uit. Hans Christiaan Andersen, de auteur van onder andere ‘De prinses op de erwt,’ en ‘Het meisje met de zwavelstokjes’, wordt geboren in een poppenhuisje in Odense, en…bla, bla, bla… 

Blond fietst hoofdschuddend verder. Daarna leven we nog lang en gelukkig

JAAP VAN DEURZEN