Jaap van Deurzen

SPREKER /  MEDIATRAINER /  DAGVOORZITTER.

DIK & DUN

apr 23, 2023

‘Was het gezellig?’ vraagt Blond suikerzoet als ik thuiskom van mijn wekelijkse rondje roeien. (Dat geklungel in een houten sloep op de Vecht is eigenlijk een hinderlijke onderbreking van waar het écht om gaat; bier zuipen en slap ouwehoeren in de kroeg.) Negen mannen lossen daar wereldproblemen op, ontslaan voetbaltrainers en vertellen sterke verhalen. 

Zo verklap ik bijvoorbeeld tot vervelens toe dat ik van plan ben om over een maand met mijn zoons naar het oogverblindend mooie Connemara af te reizen in West-Ierland. Zoon Tim en ik doen daar mee aan een fietstocht. Zoon Bob maakt er een fotoreportage. Ik heb nog geen meter gefietst maar ik ben nu al een held! Inwendig doe ik het bijna in mijn broek van angst, want ik heb geen idee of ik de geplande afstand haal. 

Ik ben in Ierland op één dag nog nooit verder gekomen dan 120 kilometer. Die legendarische prestatie lever ik op 7 september 2019. Tijdens de toer rijdt een ambulance achter de groep wielrenners aan. De broeders kunnen eventueel ingrijpen als er iets mis gaat. Tim en ik zijn de allerlaatsten in het peloton. Het lijkt alsof mijn fietsbanden met secondelijm aan de wegen kleven. Tim is solidair en blijft in mijn buurt.

Op een gegeven moment wacht de ambulance ons na vijf uur fietsen op bij een kruispunt. De sympathieke, vrouwelijke bestuurder zegt met zo’n heerlijke Ierse tongval: ‘Love, we are volunteers, would you mind if we go home, otherwise we never get back before dark?’ (‘Lieverd, we zijn vrijwilligers, vind je het erg als we naar huis gaan, anders komen we nooit voor het donker terug?’) We hebben dan nog zo’n 30 kilometer te gaan. 

We fietsen manmoedig verder. Het begint zachtjes te regenen. Langs de kant van de weg ligt een dood schaap met een blauwe inktvlek op zijn rug. Is dit een voorbode? De kou kruipt in mijn botten. Ik ben zeiknat. Waar ben ik in vredesnaam aan begonnen? In gedachten maak ik mijn testament op. Het enige wat me op de trappers houdt is het vooruitzicht van een groot glas gitzwarte Guinness. We rollen langs het turfveld waarin de Britse piloten John Alcock en Arthur Brown in 1919 met hun aangepaste Vicker Vimy-bommenwerper een noodlanding hebben gemaakt. Dankzij de relatief zachte turf landen ze als het ware op een vochtig matras. De twee waaghalzen stappen okselfris uit de kist en hebben de eerste trans-Atlantische vlucht ooit gemaakt. Het interesseert me geen moer. Ga lekker fietsen! On your bike! 

Nog vijf kilometer te gaan. Ik kan wel janken. Opeens zie ik in de verte de torenspits van de St. Joseph Church van Clifden. Ik ben bereid om me tot het katholicisme te bekeren, maar in plaats van wijwater ruik ik Guinness. Triomfantelijk rijden Tim en ik met de armen over elkaars schouders de finish over. Hij is nog redelijk fit. Ik ben op sterven na dood. Het ontvangstcomité is allang vertrokken en zit thuis achter een bord Irish Stew. We kunnen fluiten naar de medaille voor onze geleverde prestatie. Pas in 2022 worden we gehuldigd voor een tocht van tachtig kilometer.

Dit jaar is het traject van de ‘Skoda Tour de Conamara’ honderdveertig kilometer! Als je het snel zegt, lijkt het niks, maar in de West-Ierse bergen is dat wel een eindje, hoor. Ik laat me voor de zekerheid testen door een sportarts. Voor je het weet lig ik straks op apegapen in die zompige turfvelden. ‘Je bent écht heel fit, maar je bent wel twintig kilo te zwaar’, ginnegapt de sportarts. ‘Die extra kilo’s zul je allemaal over de bergen moeten slepen. Als ik jou was, zou ik wat gewicht proberen te verliezen,’ zegt de gratenbaal sarcastisch.

Enter: Blond. Zij let nu als een mythische hellehond op mijn voedsel -en drankinname. Dat doet ze op míj́n nadrukkelijke verzoek. Zelf ben ik een nat vloeitje. Ik kan heel moeilijk maat houden. Dat heeft te maken met mijn prefrontale cortex, het gebied in mijn hersenen dat verantwoordelijk is voor zelfcontrole. In dat specifieke gedeelte van mijn hersenpan is al veertig jaar sprake van kortsluiting. Wat drank -en vetzucht betreft ben ik veroordeeld tot levenslang.

‘Hoe bedoel je, één haring per dag?’ vraag ik quasi verbaasd als Blond oppert om daar als eerste mee te minderen. ‘We gaan voorlopig terug naar één vis per dag,’ vonnist ze streng. ‘Ik zeg het voor jou, hè?’ redeneert de blonde non. Ze kijkt me streng aan en ik laat gelijk mijn urine lopen. Ik volg haar orders op.

Soms heb ik zo’n zwak moment dat ik iemands strot wel door kan bijten. Van pure razernij sla ik dan een school vis naar binnen. Die zeldzame overtredingen worden gedoogd door zuster Clivia. ‘Je moet ook leven’, filosofeert ze wijs. De kilo’s kletteren van mijn karkas. Hoewel ik ook niet moet overdrijven, want het zijn er vooralsnog maar drie. Toch is dat voor mij een Herculiaanse prestatie geweest. Elke avond zet Blond een heerlijke maaltijdsalade voor mijn neus. Ik heb inmiddels een idee hoe een konijn zich moet voelen.

Terug naar zin één: ‘Was het gezellig? Hoeveel biertjes heb je vanavond gedronken?’ vraagt ze nogmaals met die priemende blik. Blond lijkt nu sprekend op een lid van de Spaanse Inquisitie. ‘Ik ben gewoon begonnen met koffie, hoor, niks aan de hand. Ik ga even douchen, hè?’ probeer ik voorzichtig. Ik kan niet liegen. Natuurlijk gebruik ik wel eens een leugentje om bestwil. Zoals die keer dat ze net terug is van de kapper. Het lijkt alsof er een familie dassen een tunneltracé heeft gegraven in haar uitbundige blonde haardos. 

‘Hoe vind je het?” vraagt ze terwijl ze als een blij ei rondtolt voor de spiegel. ‘Luchtig’, zeg ik laf. Het valt lekker los zo,’ kweel ik. Ik lul ook maar wat. De volgende dag hangt het haar als een natte dweil op haar schouders. Ik krijg de volle laag. Net als de schuldige kapster die inmiddels uit voorzorg bij haar moeder is ingetrokken.

‘Nee, kont, ik bedoel hoeveel glazen bier heb je vanavond gedronken, dat is een hele simpele vraag,’ lispelt ze vals. ‘Oh dat, ja, wat zal ik zeggen, vier geloof ik,’ mompel ik binnensmonds en stiefel de trap op naar de badkamer. Beneden hoor ik haar schampere lach….  

JAAP VAN DEURZEN