“HAAL OP! GELIJK!” Het commando van gezagvoerder Ronaldus I echoot ’s nachts nog lang na in mijn benevelde brein. Onder zijn maniakale leiding roeien we in een loodzware, houten sloep binnen 2 uur en 51 minuten over een afstand van 21 kilometer. Rooie Ron geeft ons twee keer 30 seconden de tijd om een paar slokken water te drinken. Ik kan hem wel wurgen. Dankzij deze brulaap leggen we het traject van de 39ste Grachtenrace Amsterdam wel binnen drie uur af. Het illustere team Heren 7 van Sloeproeivereniging de Spieringen uit Weesp heeft zich kranig geweerd. Uit volle borst zingen we ons geuzenlied:

“Al die willen te kaap’ren varen,
‘t Moeten mannen met baarden zijn.
Jan, Pier, Tjores en Corneel,
Die hebben baarden, die hebben baarden
Jan, Pier, Tjores en Corneel,
Die hebben baarden, zij varen mee!”

Wie had dit ooit gedacht? Vrouwlief Blond zwaait me nog uit als een rouwende vissersweduwe. Mijn fantasie slaat op hol. Ik zie mijn blonde ‘Kniertje’ in de monumentale Laurenskerk in Weesp een schietgebedje prevelen. Baat het niet, dan schaadt het niet. Stiekem slaat ze een glas rode avondmaalswijn naar binnen. Die fles staat er toch. Een fragment uit Herman Heijermans’ tranentrekkende epos ‘Op hoop van zegen’ giert door haar hoofd: 

“U zal wel geen visser trouwe, juffrouw, maar ‘t is droevig, droevig, god, zo droevig, dat ze wat je lief heb gehad op ‘n plank sjorre – met ‘n stuk zeildoek ‘r om – en ‘n steen ‘r in – driemaal om de grote mast – en dan één twee – three – in godsnaam…”

Met betraande ogen stapt Blond de lokale viswinkel binnen en koopt een pond paling en een vette makreel en gilt hysterisch: “De vis wordt duur betaald!” Tja, vertel mij wat. 

“HAAL OP! GELIJK!” Van de negen mannen aan boord ben ik de oudste en bijna schijndood. De tocht door Mokum is prachtig. Ik ben nog nooit onder zoveel bruggen door gevaren. Soms is de doorgang smal en moeten we de roeiriemen ‘strijken’. Het is een hondsvermoeiende hobby. Op de filmpjes die onderweg door fans worden gemaakt, zie ik mijn spierwitte haardos over de grachten glijden. Het is een beangstigend gezicht. Het lijkt wel alsof Casper het spook over het water zweeft. Waarom riskeer ik lijf en leden om urenlang aan een roeiriem te gaan zitten rukken? Mijn hart klopt als een defect stoomgemaal. Mijn longen hangen als stukken rokend rubber in mijn borstkast. ‘Niet aanstellen, Japio’ piept een vilein stemmetje in mijn achterhoofd, ‘Je bent zo fit als een gorilla-puber.’ Klopt, ik voel me onsterfelijk. 

Opeens flitst het beeld van de reuzenschildpad Jonathan op mijn netvlies. Over onsterfelijkheid gesproken. Die gigant is 194 jaar oud en scharrelt rond op het eiland Sint-Helena, zo’n 3000 kilometer voor de kust van Zuid-Afrika. Hij is het oudste landdier ter wereld. Rond 1832 kruipt hij op de Seychellen uit z’n ei en wordt rond zijn vijftigste als cadeau naar Sint-Helena verscheept. Hij is inmiddels stekeblind en ruikt niets meer. Maar er is niks mis met zijn libido. Geregeld maakt hij nog een wipje met reuzeschildpad Emma. Op die leeftijd zou ik daar gelijk voor tekenen bij het kruisje!

Wetenschappers hebben bij Jonathan 287 specifieke genetische variaties gevonden. Hij is een meester in het repareren van zijn eigen DNA. Zijn genetische materiaal vertoont nauwelijks slijtage. De homo sapiens doet precies hetzelfde, maar als de mens op leeftijd komt wordt die DNA-reparatie steeds moeilijker, hoewel er uitzonderingen zijn. Zo zijn de bewoners van het Japanse eiland Okinawa niet dood te krijgen. Ze hebben de langste levensverwachting ter wereld. De horde honderdjarigen die daar dartel door de wei huppelt is enorm. Ik put daar hoop uit..

“HAAL OP! GELIJK!” De laatste loodjes wegen het zwaarst. “Naar voren en hang!’ gilt Ron. Hij wil dat we ver vooroverbuigen en ons lichaam daarna als een zak meel weer achterovergooien. De riemen klieven dan makkelijker door het water. Als een scheermes schiet de sloep door de grachten. Vóór me hoor ik een maat kermend de goden en z’n moeder aanroepen. Hij is kapot. De zweep erover!

“Naar voren en hang!” gilt de beul onverbiddelijk. ‘Ga lekker zelf hangen, gek’, vloek ik binnensmonds en wil gaan muiten. “Nog vierhonderd meter!” belooft hij. Na vier minuten roept hij precies hetzelfde. We worden genaaid. Ik wil gillen, braken, breken of desnoods cello leren spelen, als deze kwelling maar stopt. En dan schalt het verlossende woord over de gracht: “Sloep 59 is gefinisht”. We zijn aangekomen bij het Olympisch Stadion, de monsterklus is geklaard. High Fives!

“HAAL OP! GELIJK!” In de partytent kletsen we de keiharde plastic bierglazen tegen elkaar en proosten uitbundig op onze prestatie. En dan roeptoetert onze rooie roerganger: “Volgend jaar doen we de Vogalonga in Venetië! Die tocht is 36 kilometer! Appeltje, eitje. Amen. Proost!

JAAP VAN DEURZEN

Deze nieuwe bundel is en blijft natuurlijk een leuk verjaardagscadeau of relatiegeschenk? Ja toch?