Hoe ouder ik word hoe vaker ik in mijn hoofd bezig ben met mijn muzikale jeugdhelden. Die vallen opeens bij bosjes weg. De lijst wordt steeds langer: Rob de Nijs, George Kooymans en mijn twee favoriete Rotterdammers, Gerard Cox en Joke Bruijs.
De humor van Cox en zijn zingende maatje Frans Halsema is kurkdroog en in die tijd volstrekt onschuldig. Ik lig eind jaren zestig dubbel van het lachen om die twee. Maar de tijden zijn veranderd, sommige ‘grappen’ kun je nu niet meer maken. Zoals de sketch over een man uit Leeuwarden die zogenaamd op de radio de herkomst van een geluid moet raden. We horen het langgerekte gereutel van een scheet. Het is zo’n klapper in de buitencategorie, die zich manifesteert als je een pond kapucijners met drie ons rauwe uien hebt gegeten. De man ‘aan de telefoon’ zegt na veel wikken en wegen: “Is het een neger uit Mozambique?” Au!
We leven dan nog met iconen als Pipo, Swiebertje en Sjors en Sjimmie. De twee cartoonfiguren zijn dikke maatjes. Sjors is wit en Sjimmie is schoenpoets-zwart. Zijn dikke lippen lijken op roodgeverfde reddingsboeien. In zijn oren hangen grote gouden ringen. Vaak kijkt hij uit zijn ogen alsof hij net op een banaan is gaan zitten. “Oepsie poepsie!” Qua intelligentie loopt hij lichtjaren achter op Sjors. Sjimmie spreekt een soort inboorlingentaal. Het is een karikatuur van een zwarte man. Maar oh, wat is het een heerlijk ventje.
Hij is niet de enige gekleurde jongen waar ik een enorm zwak voor heb. Ik ben ook een groot fan van die meppende malloot, Zwarte Piet. Au! Ik heb waarschijnlijk een licht masochistisch trekje. Ik vond het destijds wel een goed plan om na een paar klappen met de roe in een zak op reis te gaan naar Spanje. In mijn ogen was het een gratis tripje vol avontuur. Ik was toen al een adrenaline junkie.
Terug naar Gerard Cox en Joke Bruijs. De twee oud-geliefden en vrienden voor het leven, sterven een paar dagen na elkaar. Voor mij is het een keiharde confrontatie met mijn eigen vergankelijkheid, want ik ben even oud als Joke Bruijs. We groeien beiden op in een arbeidersgezin en wonen op loopafstand van elkaar in Rotterdam-Zuid. Haar vader is kraanmachinist in de Rotterdamse haven, de mijne is kolenschepper in de elektriciteitscentrale. Ook bij háár thuis is het armoe troef. Joke: “Mijn moeder zei wel eens dat ze te arm was om gelukkig te kunnen zijn.” Volgens haar broer Cees ging mams er wel ontspannen mee om en schreef later: “Ze had het budget van een kraanmachinist, maar de kapsones van een keizerin.”
De vergelijking gaat natuurlijk totaal mank maar er zijn nog meer overeenkomsten. We koesteren als kind allebei dezelfde droom en willen bekende artiesten worden. We staan met een afwasborstel als microfoon voor de spiegel en bereiden ons al zingend voor op wereldroem. We winnen de ene na de andere talentenjacht. Totdat ik de baard in mijn keel krijg en ik het geluid produceer van een pruttelende Puch. Joke Bruijs gaat als de brandweer. A star is born!
Het is 1969. Locatie: de Putselaan in Rotterdam-Zuid. Voor de deur van de populaire bar Bull Seven krijgen twee stomdronken Duitsers een gezellig pak rammel. “Auf Wiedersehen!” roept de barman fris en geeft de grootste Teutoon nog een holpieper mee. “Scheissdreck!” lalt zijn kameraad en knalt na een enorme muilpeer tegen de tegels. Er klinkt applaus. Het is een vereffening van een oude rekening. Niemand is vergeten dat tijdens de Tweede Wereldoorlog het oude stadshart van Rotterdam is weggevaagd door Duitse bommenwerpers. “Nou heel snel optiefen, vuile tering mof! Ga de fiets van m’n vader maar zoeken,” is de laatste waarschuwing. De twee mannen waggelen wijselijk weg. Iedereen ademt rustig verder in onze rauwe volkswijk.
Achter me in de verte zie ik nog net de contouren van de Kuip. Op de dan nog chique Beijerlandselaan gaan de straatlichten aan. Verderop staat een rij voor bioscoop Het Colosseum Theater. Het is weekend. Ik ben zeventien jaar jong en ga op stap. Ik doe de deur van Bull Seven open en zie haar staan: ‘Jopie’ Bruijs. Ze is bovenop een tafel geklommen en zingt de sterren van de hemel. Ik ben gelijk verkocht. Na twee biertjes schraap ik alle moed bij elkaar en vraag haar verlegen: “Kun je ook ‘Summertime’ zingen?” Ze kijkt me een eeuwigheid aan met die intens blauwe, lieve ogen en zegt dan in dat zangerige Rotterdamse dialect vol natte t’s: “Ja, tuurlijk. Voor jou wel. Ja toch?”
Ze klimt weer op die tafel en pakt de microfoon. Ze zingt vervolgens misschien wel de mooiste, jazzy versie van de aria Summertime uit de opera Porgy and Bess van George Gershwin. Als ze is uitgezongen geeft ze me een knipoog en steekt haar duim omhoog. Die mooie zomer, waarin geluk nog heel gewoon was, is nu definitief voorbij. Wat was het gezellig! Bedankt voor alles. Dag Gerard! Dag Joke!
JAAP VAN DEURZEN