‘Ik wens je veel jeuk en te korte armen,’ luidt een wreed spreekwoord. De auteur mag wat mij betreft in de gesloten afdeling van een inrichting worden opgeborgen. Ik vraag me af of die gek beseft wat hij iemand toewenst?
Ik hoor u denken. ’s Werelds slagvelden veranderen in bloedige slachtvelden en die Pipo begint over jeuk? Sorry, de kwaliteit van deze stukjes holt achteruit. Maar onderschat het fenomeen ‘jeuk’ alsjeblieft niet.
Denk aan Dante Alighierie’s meesterwerk uit de veertiende eeuw: De Goddelijke Komedie. Daarin beschrijft de moraalfilosoof zijn reis door de drie rijken van het hiernamaals: Hel, Vagevuur en Hemel. In het hoofdstuk Inferno schildert hij de unheimische plek waar misdadigers voor eeuwig worden opgesloten om aan hun met schurft besmette lichamen te krabben. Ze worden er gillend gek. De Franse kunstenaar Gustave Doré legde hun lijden vast in een serie meesterlijke gravures. (‘Canto 29’) Ik wil niet muggenziften, maar jeuk is écht een hel!
Oké, touché! Dit is misschien een ietwat heftige inleiding van een verhaaltje over een muggenbeet. Een zwanger muggenvrouwtje is vannacht op jacht gegaan naar het eiwit in mijn bloed. Het kreng heeft dat nodig als extra voer voor haar eitjes. Wat is dat toch een verschil met de muggenmannekes. Die voeden zich met bloemennectar en doen verder geen vlieg kwaad.
(Het slaat absoluut nergens op, maar bij mannetjesmuggen denk ik altijd aan gezellige Feyenoord-supporters op leeftijd. Ze hebben een bierfles in hun hand, een peuk op de lip en op hun onderarm de getatoeëerde tekst: “Het leven is verrukkelijk!”)
Terug naar mijn Danteske kwelling. Het gebeurt als ik aan het indommelen ben. Blond ligt al uitgeteld in de armen van Morpheus, haar favoriete Griekse god. Het irritante gezoem boven mijn kop begint. Het geluid lijkt op een mini-drone. De mug is op zoek naar een Landing Zone. Ik bedek alle lichaamsdelen en staar als een angstig bonobo-aapje de pikdonkere kamer in. Ik ben verdomme in alle oorlogsgebieden van de wereld geweest en lig nu als een kweetje te zweten.
Ik herpak me en probeer de mug met een lel in het luchtledige uit te schakelen. Ik stoot tijdens de gevechtshandeling tegen de romp van Blond. Ze kreunt, maar slaapt door. Mijn drieste actie heeft wel geholpen, want de mug is weg…maar niet heus. Ma Mug is op het oorlogspad en wil zich koste wat kost voortplanten.
Als een kamikazepiloot scheert ze zoemend boven mijn linker oorschelp. The bitch! Ik geef een keiharde klets tegen mijn oor. Au! Mis. De helleveeg is foetsie. Ik weiger om het licht aan te doen, want ik wil geen oorlog met Blond. Die heeft reptielenbloed en wordt nooit gebeten. Ik geef me over. Dan maar een muggenbeet. Toe maar meisje, leef je uit! Ik voel de bevrijdende prik in mijn arm. Het bloedbad voltrekt zich. De ellende begint. Mijn arm begint op de plaats delict te jeuken!
‘Gij zult niet krabben’, luidt het elfde gebod. Dat is makkelijker gezegd, dan gedaan, want ik word gek van die jeuk. Ik stap uit bed en strompel de trap af. Ik herlees het krantenartikel dat ik al vier keer heb gelezen: “Normaal gesproken is jeuk een oppervlakkig gevaarsignaal,” zegt Bing Thio, dermatoloog bij Erasmus MC in Rotterdam en voorzitter van de Richtlijn Chronische Jeuk. Als er gevaar is, kan het brein een signaal krijgen via pijn of jeuk. Bij pijn trek je je lichaamsdeel weg, bij jeuk ga je krabben.”
Interessant, maar ik kan er niks mee, want krabben mag niet. Ik walg van het feit dat er nu speeksel-eiwitten van die mug tegen de uiteinden van mijn huidzenuwen aan schurken.
“Dat signaal wordt via dunne vezels met een snelheid van één meter per seconde naar het ruggenmerg vervoerd, om vervolgens omhoog naar de hersenen te gaan, waar de jeuk wordt waargenomen en gelokaliseerd. Daarna krijgt je hand een signaaltje voor een krabbeweging. Maar als je gaat krabben, denkt je afweersysteem: hé, daar is gevaar, ik moet erop af. Want als er een wondje is, kunnen er bacteriën bijkomen en dan heb je écht een probleem. Daarom wordt een muggenbult als je erop krabt dikker, groter en roder.”
Ik begin te krabben. Halleluja. Wat heerlijk! Ik schenk een borrel in. Ik wéét dat het halftwee ’s nachts is, maar ik heb behoefte aan bedwelming. Boven gaat de deur open. Ik hoor de slaapdronken stem van Blond: “Wat ben jíj́ nou aan het doen?” Ik houd het luchtig en zeg: “Ik ben een mug dronken aan het voeren.” Het blijft even stil en dan zegt ze: “Oh… gezellig!” en knalt de deur dicht. “Man, man, man, wat een feestneus. Het is middernacht!” hoor ik haar mopperen. Ik krab in serene stilte verder en draag mijn lot als man.
JAAP VAN DEURZEN