“Ik wil een Binnenhof vol liefde”, proest D66-fractievoorzitter Jan Paternotte wellustig tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen. Wat een prachtige primaat is dat toch!
Ik ben positief en visueel ingesteld. Voor mijn geestesoog zie ik hoe de liefde plotsklaps vorm krijgt in vak K. Minister Eleonor O’Sullivan (D66) stiefelt verliefd op minister van Financiën Eelco Heinen af. Money talks, weten de Ieren.
Krullenbolletje Sofietje Hermans (VVD) lonkt verlegen naar de goedlachse Heleen Herbert (CDA) wiens brillenglazen beslaan. Rianne Letschert (D66) wil VVD’er Thierry Aartsen aanranden, maar houdt zich in. Dilan Yesilgöz’ flaporen beginnen fluks te flapperen. Als een krolse kat kruipt ze met ontblote tanden over de balustrade van vak K en stapt af op…
En dan klapt de zeepbel van mijn fantasie. Want de liefde op het Binnenhof is écht ver te zoeken. Alle hoofdrolspelers kleien creatief met vileine woordspelingen en spitsvondige oneliners. De ó zo grijsgedraaide grammofoonplaat ‘Het Grote Eigenbelang’, schalt uit de boxen.
De twee jaar durende stilstand tijdens het brokkenkabinet van hopman Schoof heeft weinig indruk gemaakt. Iedereen ruziet door. Het is een tranen trekkend ritueel. Rob Jetten’s hartenkreet ‘Het kan wél!’ wordt ‘Het kèn nèt!’
De Kamer zit vol ‘piepkleine piepeltjes’ met zwakke ruggetjes. Opeens denk ik aan het magistrale, geïllustreerde verhaal ‘Klein-Mannetje heeft geen huis’ van wijlen Max Velthuijs.* Dat gaat over een minzame goedzak die genoegen neemt met weinig en geen sjoege heeft van Box3. Het verhaal zit vol (onbedoelde) symboliek, met sleutelwoorden als simplisme, gastvrijheid, een snufje territoriumdrang en…liefde. Komt ie:
Klein-Mannetje was een héél klein mannetje.
Hij woonde in een oude schoenendoos.
Klein-Mannetje was gelukkig en tevreden.
Op een dag begon het te regenen.
“Regen is goed voor mijn tuintje”, zei Klein-Mannetje verheugd.
Maar het regende drie dagen en drie nachten lang.
Helaas is dat voor een schoenendoos wat al te veel.
Op de derde dag zakte hij langzaam in elkaar.
Klein-Mannetje pakte zijn spullen in een rode zakdoek en ging er vandoor.
Onder een dikke boom bleef hij staan.
“Nu heb ik geen huisje meer”, dacht hij treurig.
Er zat een vogel in de boom die riep:
“Kom toch boven, bij ons is het droog en gezellig!”
Klein-Mannetje klom in de boom, al hoger en hoger en…viel naar beneden.
“Dat komt ervan” dacht hij, “als je geen vogel bent, kun je maar beter op de grond blijven.”
Inmiddels regende het niet meer.
Hij ging zitten en droogde zijn kleren in de warme zon.
“Nu ga ik op mijn gemak een nieuw huisje zoeken”, dacht Klein-Mannetje.
Maar toen het donker werd had hij nog steeds geen huis gevonden.
Klein-Mannetje was moe. Hij ging in het gras liggen en viel in slaap onder de blote hemel.
De volgende dag kwam hij een kikker tegen.
“Goede morgen Klein-Mannetje! Ik weet een mooi huisje voor je”.
En de kikker nam hem mee naar een lege jampot.
Klein-Mannetje klom naar binnen.
“Oh, wat een prachtig uitzicht”, riep hij.
“En droog is het hier óók!”
Maar al gauw kreeg hij het verschrikkelijk benauwd in die glazen pot.
Klein-Mannetje ging weer verder.
Ginds op een heuvel stond een grote koffiepot.
“Daar wil ik wel in wonen”, dacht hij verrukt.
Maar plotseling kwam er een zwerm wespen uit de tuit.
“Maak dat je wegkomt”, zoemden ze nijdig.
“Hier wonen wij”.
Klein-Mannetje zette het op een lopen.
Toen ontmoette hij een konijn.
“Kom toch bij ons wonen, Klein-Mannetje. Bij ons is het gezellig en we hebben plaats genoeg.”
Klein-Mannetje ging met hem mee.
’s Avonds speelden ze een partijtje schaak en dronken worteltjesthee.
Het was een fijne tijd.
Maar op een ochtend waren er plotseling 13 kindertjes bij.
Nu was er geen plaats meer voor Klein-Mannetje.
Hij bedankte ze allemaal hartelijk voor de gastvrijheid en vertrok.
Buiten zag hij een slak.
“Makkelijk hoor, die heeft zijn huisje altijd bij zich”, dacht hij terwijl hij verder liep.
Daar zag hij een klein vrouwtje, dat appels plukte.
“Kan ik helpen?” vroeg Klein-Mannetje, en het vrouwtje zei: “Ja, graag”.
Toen de mand vol was, droeg hij hem naar haar huisje.
In het huisje kookten ze samen een grote pan soep.
En Klein-Mannetje bleef er voorgoed.
Toen het zondag was, nodigden ze alle dieren uit die Klein-Mannetje had ontmoet.
Het werd een groot feest, met taart en pudding en worteltjes en ijs en limonade…,
Jammer genoeg was de slak er niet bij.
Die was zo langzaam…
Hij kwam pas aan toen het feest allang voorbij was.
Gelukkig hadden Klein-Mannetje en Klein-Vrouwtje nog een heleboel sla voor hem bewaard…
Dit evangelie van de eenvoudige man moet toch verplichte kost worden voor die duur betaalde boterbabbelaars? Van onze ‘volksvertegenwoordigers’ verwacht ik daadkracht, compassie en een dosis Kleine-Mannetjesmoed? Ik geloof er alleen niet meer in. Ik zie u straks wel bij de stemhokjes…
JAAP VAN DEURZEN
*’Klein-Mannetje heeft geen huis.’ Max Velthuis, 1983. Uitgeverij de Vier Windstreken.