We hadden de hoop opgegeven. We dachten er zelfs aan om het houten hok weg te halen. Jarenlang stond het leeg. Het hout sloeg groen uit. De pimpelmezen wensten geen gebruik meer te maken van onze gratis Airbnb. We voelden ons bedrogen, want vroeger vlogen ze af en aan. Zes jaar geleden eindigde het sprookje. Ik schreef de frustratie van me af:
In ons driehoekige hutje hebben we nog net geen sanitair en verwarming voor ze aangelegd, maar verder is het huisje volledig bewoonbaar verklaard. Vrouwlief Blond heeft bij wijze van welkom een soort zaaddildo opgehangen. Daar hebben die mafmezen maar mondjesmaat van gegeten. Ik moet toegeven dat ik het spul zelf ook niet door mijn strot zou krijgen. We vragen ons af of ons woninkje niet meer aan hun hoge standaard voldoet? Misschien beschouwen ze het wel als een sterfhuisconstructie? Het hokje heeft een beladen historie. Ooit trok er een paartje pimpelmezen in en werden er vier eieren gelegd. Op een morgen stapte Blond het balkon op en schrok zich rot. Op de grond lag een morsdood vogeltje. Had de lieverd verkeerd gemikt en was hij met zijn kop tegen de rand van het gaatje gevlogen? Had hij staar? Of, nog erger, was hij simpelweg levensmoe? Dat laatste kon ik wel begrijpen. Ik moet er ook niet aan denken om elke nacht op vier eieren te moeten zitten. Toen we het kooitje open maakten staarden we naar een kwartet dode minimezen. Hun snaveltjes stonden wagenwijd open. De kuikens zaten te wachten op een worm die nooit kwam. Het tafereel had wel iets weg van een verstild zangkoor. Gelukkig was onze oranjerode buurtkater Trumpy niet schuldig aan deze massamoord anders had ik hem gekielhaald. De kat is te dik om over een tennisbal te springen, laat staan om op ons balkon te klimmen.
Ik schiet bijna vol als ik de bejaarde kater nu over straat zie sluipen. Hij doet nog steeds zijn behoeften bij de boom en gluurt eigenwijs naar boven. “Ik woon hier ook”, zie ik hem denken. “Ik houd ook van jou, ouwe schijterd,” fluister ik teder tegen hem. Vroeger kon ik hem wel schieten. De stank was niet te harden. Maar we raakten aan hem gehecht. Hij heeft stijl. De dichter Charles Bukowski verwoordde het ooit mooi:
“Niet veel mensen hebben stijl. Niet veel mensen kunnen stijl behouden. Ik heb honden gezien met meer stijl dan mannen, hoewel niet veel honden stijl hebben. Katten hebben het in overvloed.”
Pats! Boem! Opeens gebeurt het. Koos en Marrie Mees zijn terug van weggeweest. Op een hoogte van één meter achtënnegentig zal straks nieuw leven ontstaan. We kunnen ons lol niet op. Wereldwijd worden er verschrikkelijke oorlogen uitgevochten. Miljoenen kinderen huilen en hongeren. Lijkwades lijken niet meer aan te slepen. Antisemieten en cryptofascisten winnen hier de gemeenteraadsverkiezingen. Maar Moeder Natuur zal het worst wezen. Ze laat de lente vrijdag gewoon om 15.46 uur beginnen, terwijl wij sullig staan te jubelen onder een aftands vogelhokje. Hebben we dan helemaal geen moreel kompas meer?
Afgelopen week zweefden de twee pimpelmezen als volleerde vastgoedbeleggers voor ons raam. Koos en Marrie gingen niet over één nacht ijs. In de boom was er dagenlang druk overleg. Ik probeer me zo’n mezen-conversatie voor te stellen. “Wat vind jij, Koos?” informeert ma Mees. Koos haalt meesmuilend zijn snavel op en bekijkt het houten hutje nog eens van dichtbij en schudt zijn kop. “Het is armoe troef, Mar. Dit is nog een grotere bouwval dan die puinhoop in de Slijkstraat. Maar ja, meid, laten we het maar doen, anders blijven we rondvliegen. Het hokje ligt wel lekker in de schaduw.”
Vervolgens gaat het los. De twee vliegen af en aan met takken, mos en ander bouwmateriaal. Met de precisie van een minuscule F-35 Lightning II vliegen ze om beurten door het piepkleine gaatje van hun tiny house. Welkom vrienden!
Vrouwlief Blond en ik kijken elkaar stomverbaasd aan. Dat we ze létterlijk zien vliegen is nog níet echt ingedaald. We zetten geen stap meer op ons terras. We schuifelen blootsvoets door de kamer. We voeren een vertraagde pantomime op en zijn gestopt met vloeken.
De Luxaflexlamellen voor het keukenraam staan op standje ‘spion’. Door de spleetjes gluren we minutenlang als imbecielen naar buiten. Het lijkt wel alsof we naar het zevende wereldwonder staan te staren. Onze conversatie wordt er niet intelligenter op. “Kijk Blond, hij vliegt erin! Wat leuk!” “O jeetje, Kont! Hij komt er weer uit!” kakelt zij enthousiast. Het is puur lentegeluk.
JAAP VAN DEURZEN