“Wat zit je haar leuk!” jubel ik quasi geestig tegen een man die zo kaal is als een biljartbal. Het is één van de briljante, flauwe grappen uit mijn riante repertoire. Ik ben écht een vrolijke Frans. De man is moddervet en moet zich met geweld in zijn overhemd hebben geperst. Alle knopen staan op springen. Zijn stropdas hangt op half zeven. Er zitten zwarte zweetplekken ter grootte van paardenzadels op zijn rug en onder zijn oksels. Hij kijkt me aan en fluistert dof: “Ik ben net begonnen aan mijn derde rondje chemotherapie.” Hij aait over zijn kale kop. Au! Foutje!

Ik denk aan de nieuwe campagne van Sire: ‘Een praatje maakt je dag.’ Spontaan iets leuks zeggen tegen een volslagen onbekende kunnen veel mensen wel waarderen. Sommigen worden er zelfs blij van. Tenminste, dat beweren knappe koppen die ervoor doorgeleerd hebben. “Kleine interacties kunnen ons welbevinden versterken en zorgen vaak voor meer onderling vertrouwen en voor het besef dat we deel zijn van dezelfde samenleving”, brabbelt een hoogleraar sociale psychologie in duidelijk Nederlands tegen de krant.

‘Ons welbevinden versterken’ klinkt hoopvol, maar het pakt ook wel eens anders uit. Bijvoorbeeld in de trein van Amsterdam naar Rotterdam. Een jonge vrouw met kort haar gaat tegenover me zitten. Ze heeft een vettig voorhoofd waarin het gelige TL-licht wordt gereflecteerd. Haar bril, met een zwart hoornen montuur, glijdt constant naar beneden op haar neus. De graatmagere twintiger is saai en oerdegelijk gekleed. Het is zo’n lief, anoniem kantklossertje met de seksuele aantrekkingskracht van een abri in Waspik. Ik heb een enorm zwak voor die vrouwen. Ze staart nors en droevig voor zich uit.

“Zware dag gehad?” vraag ik vriendelijk. Ze kijkt me vernietigend aan en gilt opeens met zo’n sissend Amsterdams accent: “Mót jij soms wat van me?” Mijn mond valt wagenwijd open. Verschrikt kijk ik om me heen en schud mijn hoofd. Ik wil helemaal niks. Wanhopig zeg ik: “Ach, lieverd, ik vond…” “Lieverd??! Seg jij nou lieverd tegen me, vuile viespeuk. Hou ‘s effe lekker je bek, man!” Ze staat op en stiefelt stampvoetend naar een lege stoel vier rijen verderop. 

De man aan de andere kant van het gangpad trekt zijn wenkbrauwen op, kantelt zijn hoofd en geeft me een knipoog. ‘Pech gehad, jongen. Maar… niet geschoten, altijd mis,’ lijkt hij te willen zeggen. Mannen onder elkaar. Zijn vrouw kijkt me woest aan. Ze verdenkt me er waarschijnlijk van dat ik de frêle deerne de details van de ‘Italiaanse kroonluchter’ heb verklapt. Dat is een pikant standje uit de Kama Sutra. Ze staat hoofdschuddend op en kijkt waar het slachtoffer van deze ongewenste intimiteit naartoe is gevlucht. Ik zie de verwijtende blikken van de passagiers in de treincoupé.

Ik ben totaal van de leg en vertel het verhaal aan vrouwlief Blond. Dat had ik beter niet kunnen doen. Ze heeft me hier al meerdere keren voor gewaarschuwd. “Jij flapt er ook écht van alles uit, hè? Daar moet je mee oppassen! De dingen die jij tegen mensen kunt zeggen, man, man, man. Jaap Vraag in de bocht!” blaft ze verontwaardigd. 

Ze weet hoe de hazen lopen. Blond is een looker en wordt in de trein regelmatig aangesproken door babbelzieke mannen. Ze heeft haar portie prietpraat wel gehad en is vaker van treinstoel gewisseld dan ik mijn ondergoed heb verschoond. Ik chargeer nu even. 

“Je gaat het in een volle trein toch niet hebben over een seksstandje, gannef? Hoe haal je het in je hoofd? Zeker niet tegen een jong meisje dat je niet kent,” tiert ze. Soms luistert ze maar met een half oor. “Nee, Blond, die Kama Sutra gebruikte ik als metafoor, bij wijze van voorbeeld dus,” probeer ik nog. Maar het heeft geen zin. We zijn in het grote Babylonische bos beland. Daar is de rede ver te zoeken. We lijken op twee passerende treinstellen die elk hun een eigen richting op rijden. We praten totaal langs elkaar heen. Ik geef het op. 

Maar ja, nu heb ik wéér de plank misgeslagen. Terwijl ik nota bene een van de actiepunten uit de Sire-campagne heb opgevolgd, die luidt: ‘Begin met een compliment!’ Hoe leuk is het dan om te zeggen: “Wat zit je haar leuk.” Die witz werkt over het algemeen fantastisch. Dit keer niet. Ik heb de man in verlegenheid gebracht.

Als ik voor de zoveelste keer mijn excuses aanbied, zegt hij sportief: “Ik kan er stiekem wel om lachen, hoor. Dit is echt humor met een rouwrandje. Daar houd ik wel van. Die harde grappen maak ik zelf ook. Ik zou overigens voor geen goud willen ruilen met die witte pruik op jouw kop. Die zit pas écht kut.” We klappen allebei dubbel van het lachen. We praten daarna door over van alles en nog wat. We vuren de ene na de andere foute grap af. Als nieuwbakken vrienden nemen we afscheid. Saved by the bell. Dank Sire!

JAAP VAN DEURZEN