“Mijn grote held blijft Hans Dorrestein,” zegt de Charmeur tegen zijn maten. Zijn stem klinkt als grof grind onder een autoband. “Heb je het over die vent met die zure kop? Die cabaretier met die flaporen en dat brilletje? Leeft die nog? Die is toch ongeveer net zo oud als wij?” vraagt de Kabouter. “Dank je wel Koos, zie ik er zo slecht uit? Hij is 85, mafkees, dat scheelt 15 jaar. Kijk, dit is hem. Ik lees net een stukkie over hem in dit blaadje.” “Als ik die foto zie, ben ik gelijk in staat om een touw om m’n nek te knopen. Dat heb ik altijd gehad met die man!” zegt de Vetzak. “Van mij mag je, Aad. Ik lees nog effe een gedichtje* voor dat erbij staat,” vervolgt de Charmeur, komt ie”:
‘Wat heeft eenzaamheid om het lijf, vergeleken bij een chagrijnig wijf?
Zo’n wijf dat klaagt en zeikt en zeurt, ook als er iets leuks gebeurt.
Die, al doet haar man z’n best, de stemming in het huis verpest.
Die hem vernedert en vliegen afvangt.
Die eist dat hij afwast en de kamer behangt.
Haar kop is vijandig, slecht haar humeur.
Wat hij ook doet, ze slaat met de deur.”
De vrienden voor het leven beginnen te lachen. “Het lijkt wel of ie het over jouw ex heeft, Wim,” brult de Baard. Hij begint te proesten en spuugt bijna zijn kunstgebit op tafel. Ik heb Wims’ ex nooit ontmoet en vraag me af of dat een gemis is.
Op de een of andere manier heb ik een zwak voor deze saunabezoekers op leeftijd. Het zijn acht mannen met een hoog Statler en Waldorf-gehalte. Ik heb het dan over die twee notoire zeurpieten van de Muppet-show. Het zijn bejaarde boefjes die met een plat Amsterdams accent spreken. Hun betoog gaat gepaard met wijd opengesperde ogen en hoog opgetrokken wenkbrauwen. Het is zo’n blik van: waag het niet om er wat fan te seggen! Ze raken niet uitgepraat over Ajax. Het is zo’n groepje waar een horde 010-hooligans het liefst een virtuele Kalasjnikov op leeg zou willen schieten. Maar doe het alsjeblieft niet, want dit is mijn favoriete sauna-team.
Op hun soppende slippers sjokken ze de sauna in en gaan op de onderste bank zitten. Gedoe met de knieën weerhoudt ze ervan om hogerop te klimmen. Ik glip altijd mee naar binnen om naar hun geouwehoer te luisteren. Ik heb ze allemaal een bijnaam gegeven: De Artiest, de Knorrepot, de Kabouter, de Baard, de Charmeur, de Dakdekker, de Rooie en de Vetzak. Het zijn mannen van de gestampte pot die de schijn niet meer op hoeven te houden. Bij sommigen zie je dat ze ooit een atletisch lichaam moeten hebben gehad. De contouren van het verdwenen ‘wasbordje’ zijn nog vaag te zien. Bij de anderen is het lijf veranderd in een zachte, vormloze massa. De lichaamsbeharing hangt als natte, grijze wol op hun rug.
“Ik heb me m’n hele leven kapot gewerkt en ik heb er nog nooit een dag spijt van gehad. Tegenwoordig krijgen ze al een burnout als ze naar een schep kijken,” zegt de zwetende Artiest uit het niets. De opmerking is aan niemand gericht. De andere mannen knikken. “Tja, niemand wil meer werken,” moppert de Knorrepot en strijkt zijn hand door z’n golvende haardos.
Ik zit twee banken hoger en houd me gedeisd en ben inwendig aan het notuleren. De bloedhete sauna ruikt naar eucalyptus. “Burnout? Vroeger noemden we dat gewoon lui,” zegt de Vetzak. Er gaat iets geruststellends uit van het gekeuvel van deze mannen. Het is een onschuldig ritueel dat elke week wordt herhaald. Binnen de groep heerst nog ‘het oude normaal’. Wat dat ook moge zijn.
Alsof ze de klok er op gelijk hebben gezet staan de mannen tegelijk op. “Ik heb genoeg gezweet”, bromt de Baard. “zullen we een kaartje gaan leggen?” Het is geen vraag. Het is vaste prik. Ik denk dat het gedoe in die sauna een hinderlijke onderbreking is van waar ze écht voor komen: klaverjassen. Niemand heeft haast om thuis te komen. De kaarten worden geschud. Opeens staat de Charmeur op en zegt gehaast: “Dat gedicht van Hans Dorrestein was nog niet klaar, hè? Ik zal het even afmaken, want het leukste moet nog komen. Ben je er klaar voor, Wim? Komt ie:
‘Het is allemaal erg, heel erg voor die man.
Ja, het is zelfs nog veel erger dan wanneer hij aan een hangbrug hangt.
Aan strengen touw die langzaam scheuren.
Aan rafelige touwen die versleten zijn, hangt hij boven het diepe ravijn.
Aan rafelige touwen die één voor één knappen.
Maar dan nog maakt die pantoffelheld grappen.
Van: “Ik kan hier nog jarenlang hangen, zonder ooit terug naar thuis te verlangen.”
En hij roept tijdens de valpartij:
“Ho la die jo, halleluja joe haai,
Dit is een heerlijk tijdverdrijf,
vergeleken bij een chagrijnig wijf
Nu voel ik tenminste dat ik leef.
Dat is heel wat anders dan thuis met die teef.”
JAAP VAN DEURZEN
*Ik heb het gedicht Sjaggerijnige Wijven van Hans Dorrestein later op Youtube opgezocht. Zo’n goed geheugen heb ik nou ook weer niet.