SCENES UIT EEN HUWELIJK NR. 11

Opeens staat er een boom van een kerel in onze woonkamer. Het is het type ‘ideale schoonzoon’. Zo’n man die alles kan verkopen, van stofzuigerzakken tot bidprentjes. Zijn schoonmoeder krijg je er als bonus bij. Hij wil Blond een nieuwe keuken aansmeren. Als een dartel veulen draait ze om hem heen. Hij oogt sympathiek maar is waarschijnlijk zo glad als een paling in een emmer smeerolie. 

Zijn vader heeft hem als jongeling aangeraden om iets met zijn handen te gaan doen. In principe is alles mogelijk, behanger, dakdekker of loodgieter. “Daar staan ze om te springen, jongen,” brult de oud-timmerman en zuigt zijn vierde borrel naar binnen. Zijn advies wordt door de puber weggehoond. “Ammehoela, pa! Mij niet gezien. Ik word verkoper, want ik houd niet van vuile vingers.” Als bewijs laat hij zijn schoon geschrobde handpalmen zien, maatje kano. Daar knijpt hij mijn rechter ‘gitaar-hand’ bijna mee aan gruzelementen. Ik geef paps gelijk, met zulke jatten moet je huizen bouwen in plaats van malle verkooppraatjes houden. Maar zoonlief trekt een maatpak aan en rijdt door het hele land om keukens te verkopen aan onschuldige huisvrouwen. 

Ik spoel even terug naar een trits surrealistische conversaties die ik de afgelopen weken met Blond heb gevoerd. Zij is ‘Chef Huishouding’. Dat is een geniale geuzennaam die ik ooit uit zelfbescherming heb verzonnen. Huishoudelijke taken zijn namelijk Chefsache! Daar bemoei ik me dus niet mee. Ik zorg er wél altijd voor dat ik klef mijn dankbaarheid blijf tonen. Zo zeg ik regelmatig: “Meisje, wat leg jij die handdoekjes toch netjes opgevouwen terug in de kast. Daar zou ik zelf geheid een zooitje van maken.” Vervolgens klap ik haar als een brave merrie op de flanken en stap fluks op de fiets. Op zulke momenten kan ze mijn bloed wel zuipen. Ze kijkt me minachtend aan en mompelt: “Ik heb je door, galbak, maar ik doe die dingen inderdaad liever zelf, anders heb ik nóg vier kasten nodig.” 

Terug naar het keuken-drama. Het gebeurt in de vroege ochtend om 8.12 uur. Ik heb mijn portie Griekse yoghurt met blauwe bessen en walnoten net op en neem de eerste slok koffie. Dan valt de virtuele bom en zegt Chef Blond met de stelligheid van een Obergruppenführer

B. “Er komt hier straks een man naar de keuken kijken, want die valt uit elkaar. Daar hebben we het al over gehad. Daar móet heel snel iets aan gedaan worden. Ik word er strontziek van.”

Ik zie plotseling euro-tekens op mijn netvlies flitsen en stotter:

J. “Hoe bedoel je? De keuken valt uit elkaar?”

B. ”Nou, precies zoals ik het zeg, maar jij luistert nooit. Ik zal het nog één keer uitleggen. Die keuken is OP. Die is twintig jaar OUD en is allang over de datum. Er MOET een Nieuwe Keuken komen. Dat zie je toch wel?”

Mijn lichaam verandert in een vraagteken.

J. “Nee, dat zie ik niet. Oké, dat dekblad op die laadjes is een beetje aan het afbladderen. Maar daar kunnen we toch iets overheen plakken? Of gewoon verven. Dat scheelt een hoop geld. Die laadjes doen het verder prima. Toch?”

We zijn nu op het punt aanbeland waarop Blond twee keuzes heeft. Ze kan gericht een gekarteld broodmes in mijn voorhoofd werpen. Of ze kan ervoor kiezen om me als een gedragsgestoord pubertje met twee hersencellen te gaan corrigeren. Ze kiest voor het laatste. Ze brengt haar boodschap in luide staccato-zinnetjes. Die klinken als oekazes: 

B. “Die-keuken-moet-WEG! IK-heb-Besloten-om-iets-Nieuws-te-kopen! Dit-heeft-al-veel-te-Lang-geduurd! Loop even mee. Kijk, dit kastje stamt uit de middeleeuwen. Weg ermee! Hier komt straks onze nieuwe koelkast te staan. Dat granieten aanrecht gaat naar de vuilstort. Het fornuis heeft zijn langste tijd gehad, maar daar kan ik nog mee leven. Er moet natuurlijk wél een nieuwe afzuigkap komen. Dát gaat er gebeuren en niets anders. Die keuken-Koos gaat een tekening maken en komt daarna met een offerte. En ja, dat gaat geld kosten. Dat is er en we kunnen het niet meenemen! Punt uit! Komt dit allemaal in mijn Kontjes’ kersenpitje binnen? Ja? Ik vraag het, omdat je staat te kijken alsof ik in het sanskriet aan het praten ben. ” 

Ik doe nog één zielige poging en pers een nep-traan uit mijn oog en jammer:

J.“Blond ik ben bijna schijndood. Hoeveel jaar denk je dat ik nog heb? Moeten we nu geld over de balk gaan gooien voor een nieuwe keuken? Dat is toch waanzin?  

B. “Kont, je bent kerngezond. Je staat al drie maanden droog. Je hebt een lever van een 20-jarige geheelonthouder en je hartje tikt weer als een Zwitsers uurwerk. Ga lekker fietsen. Wegwezen! Ik heb je even niet nodig. Toedeloe!”

Ik kijk beduusd uit het raam en zie Usain Bolt voorbij hobbelen. Zo noemen we de man met de vuurrode zweetband om zijn voorhoofd. Hij is ongeveer 88 jaar. Regelmatig ‘jogt’ hij aan ons huis voorbij. Dat gaat steeds trager. Hij kan elk moment omvallen. Toch is hij mijn grote held. Het kwartje valt. We leven nu! Laten we als de sodemieter die nieuwe keuken kopen!

JAAP VAN DEURZEN