“Hij klopt en hij veegt en hij zuigt,” neuriet vrouwlief Blond als ik voor de vierde keer in de week de stofzuiger door het pand slinger. Het is de aloude reclameslogan voor de revolutionaire Hoover steelstofzuiger. Dat ding is op een gegeven moment zo populair in Amerika dat stofzuigen to hoover wordt genoemd. Het is Blonds’ gevoel voor humor. Natuurlijk is het lief bedoeld. Ze wil me een hart onder de riem steken vanwege mijn tomeloze inzet als huisknecht. Ik voel me de kaaskoppige tegenhanger van de Thaise Tippi Wan uit de serie Gooische Vrouwen. Ook Tippi Wan wordt in het eerste seizoen als een koelie misbruikt.
Blond is nog steeds onthand. Ze heeft haar sleutelbeen gebroken en ligt als een Gooische diva de godganse dag in haar leunstoel. Huishoudelijk werk is er nu even niet bij. Er staat een bak met fruit naast haar. Af en toe laat ze als Cleopatra een trosje blauwe druiven boven haar mond bungelen. Een lijvige kelk met rode wijn staat ‘s middags binnen handbereik. De hele dag door voert ze kreunend telefoongesprekken over haar lichamelijke sores. De pijn aan haar schouder onderdrukt ze met wagonladingen paracetamol. In die luxe omstandigheden zou ik zelf ook wel een paar botten willen breken.
“Hij kan zó lekker helpen,” fluistert ze aan de telefoon tegen haar hartsvriendin. Ik sta toevallig boven aan de trap als ik haar hoor smoezelen. Het compliment is blijkbaar niet voor mijn oortjes bestemd. Ik zou zo maar eens kapsones kunnen krijgen. Maar mijn inspanningen worden blijkbaar wél gewaardeerd. Ze noemt me nog net geen Saartje.
“Hij heeft zelfs het bed verschoond, hoe vind je die?” fluistert ze schor. Ik hoor haar besmuikt giechelen. “Ik weet niet wat ik meemaak. Het moet écht niet gekker worden.” Ze slurpt een mondvol rode wijn naar binnen. “Weet je, ik houd het makkelijk vol zo. Ik leer hem elke dag wat nieuws. Laat mij maar schuiven. Hij heeft gisteren stoofperen gemaakt. Hij doet de was, vouwt hem op en legt alles keurig in de kast. Ik moet hem alleen nog zo ver krijgen dat ie zijn eigen overhemden gaat strijken. Dat is me nog niet gelukt. Maar dat komt wél, want hij is bijna door zijn shirts heen. Hij zal er toch een keer aan moeten geloven,” lacht ze cynisch. “Nou Blond, dat gaat niet gebeuren!” sist een stemmetje in mijn hersenkwab. “Ik ga nog liever onder de Weesper Kippenbrug kamperen. Er zijn grenzen!”
Opeens daal ik tijdens haar gesprek als een deus ex machina achterwaarts de trap af. Met een kletsnat AH-werkdoekje veeg ik alle traptreden schoon. Ik hijg erbij als een mank molenpaard met koorts. Ik wil haar vriendin laten zien wie Blonds’ nieuwe huisslaaf is. Moi! Dat werkt. “Kijk nou eens! Hij is de trap aan het schoonmaken! Wat zullen we nou krijgen? Wat lief!” blèrt Blond tegen het schermpje van haar mobieltje. Ze zegt het op zó’n enthousiaste toon dat het lijkt alsof ik bezig ben met de bouw van de piramide van Cheops.
Ze draait de cameralens van haar iPhone in mijn richting om live het bewijs te leveren van mijn ijver. Ik zie haar vriendin dubbelklappen van het lachen en een slok wijn tegen het scherm sproeien. Met dat gele AH-lor in m’n fikken voel ik me op die trap net een gesjeesde komiek.
Ik begrijp Blonds’ verwondering wel, want ik doe dingen die ik nog nooit van mijn leven heb gedaan. Ik heb het gevoel dat ik de hele dag met m’n hol omhoog sta. Voor het eerst besef ik dat huishoudelijk werk toch wel een gigantische klus is. Tenminste, als je het goed wilt doen. Ik dacht dat ik met het halen van de boodschappen en het wegbrengen van de vuilniszakken ruimschoots voldeed aan mijn quotum huishoudelijke taken. Na een bezoek aan onze lokale Appie of de glasbak, laat ik me altijd vermoeid op de bank vallen en begin quasi uitgeput te kermen: “Tjonge, jonge jonge, dat was wel weer even aanpoten, hoor.”
Elke avond wankel ik afgepeigerd om half negen ’s avonds de schoon geschrobde trap op en duik mijn mand in. We zitten nu in week vijf sinds haar val met de fiets over een berg spekgladde herfstbladeren. Op de röntgenfoto zien we hoe mooi het sleutelbeen aan elkaar aan het groeien is. Het menselijk lichaam is een zichzelf helend wonder.
“Ik ben héél erg tevreden!’ zegt de sympathieke chirurg in het Tergooi MC in Hilversum en glundert van oor tot oor. “Ik zou wel blij zijn als die stekende pijn weg is, hoor. Dan kan ik tenminste thuis weer alles zélf doen,” jengelt Blond. Ik overweeg nu om die uitspraak in knipperende neonletters boven de deur te hangen. Het wordt hoogtijd!
JAAP VAN DEURZEN