Soms denk ik dat ze het expres doet. Maar ik kan het me simpelweg niet voorstellen. Er zit geen greintje kwaad in haar. Niemand staat in de ochtend op met het plan: vanavond ga ik hem langzaam tot wanhoop drijven. Het is waarschijnlijk gewoon ‘onwetendheid’… Telkens weer, dat wel.
Het gebeurt rond half negen ’s avonds. Ik ga koffiezetten. Dat is mijn taak. Gelukkig wel, want ik houd van een straffe bak. Een vage vriend vergeleek mijn brouwsel ooit met vloeibare dakbedekking en vluchtte kokhalzend het pand uit. Blond was blij met zijn motie van afkeuring. Zelf gooit ze na het opschenken nog een flinke scheut warm water in haar kopje. Ik vergelijk het altijd met zo’n slappe bak opgeschuimde melk waar een druppel koffie in drijft. De griezels lopen me over de grauwen. Maar goed, ieder zijn meug.
We koesteren dit moment. De treurbuis staat uit. Het uitzicht over de Weesper gracht is prachtig. De eenden en waterkippen stoppen hun wild geraas. De brulkikker begint aan zijn erotische cantate. Een roedel hockeymeisjes fietst over de houten Kippenbrug. We horen hun heerlijke bakvissen-gegiechel.
Ik schep de grofkorrelige koffie in de cafetière en gooi er kokend water overheen. Uit de koelkast pak ik een mini-Twix voor Blond. Dat is een krokant biscuitje met een laagje melkchocolade. Het ritueel begint. Ik schenk de koffie in en laat ruimte in haar kopje voor die extra plens water. Ik houd mijn hart vast. Gaat ze er vandaag wél op letten?
Tergend traag scheurt ze de Twix-verpakking open. Oei! Het krakende geluid van die wikkel voelt als een gloeiende breinaald die in mijn hersens wordt gestoken. In slow motion rolt ze het plastic omhulsel als een condoom van het chocoladepijpje af. De afspraak is dat ze de verpakking er in één flinke ruk aftrekt en verre van zich werpt. Dat doet ze zelden. Ze ‘vergeet’ het. Maar volgens mij is ze als de dood dat die chocola in haar vingers begint te smelten. Dus knabbelt ze als een fret steeds kleine stukjes van die Twix af. Die minihappen spoelt ze weg met slokjes koffie. Na elk hapje frommelt ze die vervloekte verpakking een stukje verder naar beneden. Het knisperende geluid wordt steeds ondraaglijker.
In artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat geschreven: ‘Niemand zal onderworpen worden aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.’
Blond doet bij mij niets anders! Koffiedrinken verandert in een hel. Het is het moment dat ik denk aan Amerikaanse seriemoordenaars à la Ted Bundy of de ‘Boston Strangler’. Die waren knettergek, maar …
Natuurlijk ben ik ook niet helemaal fris. Wat maakt het nou uit als iemand bij de koffie een chocolaatje eet? Hoelang duurt dat? Geen eeuwigheid, mijn zegen heb je. Maar haal dan in vredesnaam eerst die krakende verpakking ervan af en niet stukje bij beetje. Ik word gek van dat geluid. Het is een milde vorm van misofonie. Degenen die aan die psychische aandoening lijden, ontwikkelen een weerzin tegen volstrekt ‘normale’ geluiden. Zo haat ik mensen die in een plastic kuipje de laatste restjes van hun toetje weg zitten te schrapen. Dat gaat maar door. Er zijn idioten die luidruchtig zitten te smakken. Bij het geluid van keiharde kunstnagels die tegen telefoonschermen tikken denk ik direct aan amputatie.
Wij zijn filmfanaten en gaan regelmatig naar de bioscoop. Het licht gaat uit en je stapt in een ander universum. In zo’n bioscoopzaal gelden ongeschreven wetten. Als de film begint houd je je snuit en produceer je geen ander geluid. Punt uit. Maar opeens is ie daar: de chipszak. Als je hem openmaakt, kraakt hij. Zeker als het een groot exemplaar is wordt er een kwartier lang in gegraaid. Ik ben bereid om de veroorzaker van die geluidsoverlast een vuistbijl in zijn rug te werpen. Ik vind het akoestische geweldpleging. Sterker nog, ik beschouw het als een ernstige vorm van auditieve foltering. Ik erger me niet alleen aan dat gekraak. Die moddervette troep moet ook nog gegeten worden. Zeker bij rustige filmscènes hoor je dan dat doffe geluid van een hap chips die binnensmonds wordt vermorzeld en weggeslikt. Het drijft me tot wanhoop. Waar de film over gaat, ben ik allang kwijt.
Thuis waan je je vervolgens ‘veilig’. Maar ook dát is een illusie, want daar heb ik te maken met die Twix-terreur. Elke keer weer begin ik als een gewond roofdier te grommen. Tot de grens is bereikt en ik bijna ontplof. Ik spring op en blaf: “Blond!!” Ze schrikt zich rot en duwt de afgekloven chocoladestengel diep in haar slokdarm. Ze zit erbij als een kleuter op leeftijd die betrapt is op het stiekem snoepen in de klas. “Oh, Japio, sorry!” kraait ze met verstikte stem. ‘Tis goed!” hijg ik opnieuw vergevingsgezind. Uitgeput val ik in mijn leunstoel. Mijn koffie is koud. De avond kan beginnen.
JAAP VAN DEURZEN