Ik heb nieuws. Ik woon samen met een menselijke nachtegaal: Blond! Nooit geweten. Ik doe gelijk een knieval en verklaar hierbij dat ik alle berichten intrek waarin ik ooit zou hebben beweerd dat ze niet kan zingen. Dat kan ze wel! Vandaar die overdrachtelijke stijlfiguur van de nachtegaal. Maar goed, dat had u allang begrepen. Amen!
Jarenlang werd ik misleid door haar knorrende keuken-geneurie. Het leek alsof ik naar een naaktkeelklokvogel luisterde. Ze begon ermee als ze met de pannen ging rammelen voor het avondeten. Ik heb daar al eens een uitvoerige analyse over geschreven. Een citaat:
‘Opeens hoor ik het weer. Blond neuriet in de keuken haar vaste atonale liedje. Toen ik nog als razende reporter ronddoolde over de bol is me dat nooit echt opgevallen. Nu wel. Het is een soort drieklank die ik onmogelijk kan nabootsen. Het titelloze melodietje is volstrekt onharmonieus en klinkt áltijd hetzelfde. Vergelijk het met het gepiep van een pup die om Bonzo Brokken bedelt.
Dat ik nooit haar hersens heb ingeslagen met een stalen pollepel heeft te maken met eigenbelang. Die blonde is een fenomenale kok. En… liefde gaat nu eenmaal door de maag.
Maar inmiddels ben ik erachter dat Blond een uitstekende altstem heeft. Het is een lage stem die te vergelijken is met het geluid van Majoor Kees, het typetje van cabaretier Paul van Vliet. Die naam schiet me te binnen omdat Blond ons Weesper huisje bestuurt als een bataljonscommandant. Ze moet wel. Met een verwarde idioot als ik heb je geen andere keus.
Ik ben de Chaos-Piet. Ik pleur al een kwart eeuw lang bij thuiskomst mijn spullen in een of andere hoek. Ik krijg het simpelweg niet voor elkaar om gelijk mijn rotzooi op te ruimen. Terwijl dat toch geen rocket science is. Dat Blond mijn hersenpan nog nooit heeft ingeslagen met een solide strijkbout is een wonder. Ze heeft echt van alles geprobeerd om me in het gareel te commanderen. Dat levert soms potsierlijke conversaties op. Ik geef een voorbeeld.
Blond: “Japio, wat wil je met die sokken doen onder de tafel?” Ze vraagt het kalm en met geveinsde interesse, alsof ik mogelijk bezig ben met een wetenschappelijk experiment.
Wat ze eigenlijk in mijn oor wil kermen is: “Gooi die vieze, vuile stinksokken in de wasmand, mafkaan, en niet op de grond.” Maar ze houdt zich koest en kiest voor de vredelievende variant. Heel wijs. Ik kijk haar verbaasd aan en doe alsof ze haar vraag in het Sanskriet heeft gesteld en dat klinkt zo: “Atra mejasya adhah tabhih malinamojabhih kim ichasi?” Dat begrijpt toch geen mens?
In werkelijkheid heb ik een denkpauze gecreëerd om een spitsvondig antwoord te verzinnen en zeg: “Daar wil ik straks mee gaan jongleren, Blond, bij wijze van variété voor jou.” Even twijfelt ze of ze het GGD-busje zal bellen en zegt dan met die lage alt: “Ga jij maar lekker ‘oud’-leren, gannef, en leg die sokken waar ze horen. Ik ben geen koelie. Mars!” En dat veertig keer per week. Daar ga je vanzelf atonaal van neuriën.
Maar dan komt de grote verrassing. Een kennis nodigt haar uit om met een groep vrouwen zingend de kerk in te gaan. In de Sint-Nicolaaskerk in Muiden oefenen ‘De meiden van de kade’. (Heren, even voor de duidelijkheid, dat is een vrouwenkoor waar jullie niet even aan kunnen komen wippen. Capice?)
Ik verklap Blond dat er niets leukers is dan samen muziek maken. (Ik zit zelf in een bluesbandje en geniet er met volle teugen van. Bovendien doe ik alles om van dat geneurie af te komen.)
Blond aarzelt, maar besluit toch om een keer te gaan kijken. Bijna jodelend komt ze die avond thuis. Ze is om. Het is leuk. Dit gaat ze doen. Alle vrouwen zijn blij met haar gezang. Muziek is een magisch fenomeen.
De hele dag door schalt nu haar stem door het pand. Het geneurie behoort tot het verleden. Ze schudt de shanties zo uit haar mouw en knalt er de ene na de andere klassieker uit: “Als de klok van Arnemuiden…”
Als ik thuiskom en naar boven loop, hoor ik haar al. Van Kooten en de Bie hadden gelijk: ‘Niets komt zo lekker de trap af als muziek van een feestje boven.’ Tijdens het kokkerellen is er helemaal geen houden meer aan. Ik word aangestoken door haar enthousiasme en begeleid haar op de gitaar en zing uit volle borst mee. Tweestemmig staan we in de spruitjeslucht te kwelen alsof ons leven ervan afhangt. Buren kijken me bezorgd aan als ik met wagonladingen wijnflessen naar de glasbak loop.
We zouden eigenlijk allemaal samen moeten zingen. Elke dag! Ik geloof er heilig in dat muziek de wereld kan veranderen, omdat muziek ook ménsen verandert.
Leve Blond! Leve haar altstem! Leve de muziek!
JAAP VAN DEURZEN