jaap van deurzen

Het is 1967. Voor de laatste keer in mijn leven ga ik met mijn ouders en mijn zusje op vakantie. De bestemming is Lloret de Mar in Spanje. Ik ben een opstandige, onhandelbare puber. Ik zie er ouder uit dan ik ben. Mijn lange, blonde haren hangen op mijn schouders. Mijn rectus abdominis bestaat uit die ó zo kenmerkende zes spierblokken op de buik. Ja beste vrienden, dat noemen ze in onze vrolijke volkswijk een wasbordje. (Die gespierde sixpack zit er overigens nog steeds maar ligt nu verborgen onder een Michelinband van buikspek.)

Terug naar Spanje. Casanova gaat op stap. Ik flirt met flanerende meisjes. Op een bankje aan de boulevard steel ik een kus van een roomblanke beauty uit onze delta. Een passerende politieagent geeft me met zijn wapenstok een striemende zweepslag op m’n rug. Zoenen in het openbaar mag niet: “Es prohibido! Verboten,” gilt de gek, die denkt dat hij te maken heeft met een afgetrainde Teutoon met een Waschbrett. De jaloerse proleet met overbeet begint ons uit te schelden. Hij spreekt met consumptie. We schrikken ons rot en sluipen als bange wezels weg. Eros heeft dan allang de benen genomen en komt ook niet meer terug. 

De seksuele revolutie is in volle gang. De Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) heeft 200.000 leden. Het keurslijf van de benepen jaren vijftig wordt afgeworpen. ‘Je kunt van bil, met wie je wil,’ is de slogan. Die boodschap is nooit bij de geüniformeerde leden van de Spaanse inquisitie aangekomen. Heb ik weer.

Voor het eerst van mijn leven eet ik paella. Mijn vader drinkt er twee grote glazen sangria bij en wordt tipsy. Het is een vertederend gezicht. Zo heb ik hem nog nooit gezien. Ik ben op die leeftijd natuurlijk zelf broodnuchter, maar speel het spel wel mee. Gebroederlijk zwalken mijn pa en ik over de boulevard en gillen van het lachen. Op hoge toon vertelt hij de ene mop na de andere. Ik weet niet wat ik meemaak. Is dit mijn eeuwig in zichzelf gekeerde verwekker? Mijn moeder maant hem om niet zo hard te schreeuwen. Dat werkt averechts. “Daar hebben we Jet in de bocht,” brult hij uitbundig en giert het uit. Pas dan begint hij te braken. Ik beschouw het als één van de meest intieme momenten met mijn autistische vader, die nooit mijn naam heeft genoemd. 

De vakantie naar Lloret de Mar wordt op veel fronten een gedenkwaardig tripje. Voor het eerst van mijn leven stap ik als ‘matador’ een arena in. Niet voor een bloed druipend stierengevecht, maar voor een behendigheidsspel met een jonge stier zonder hoorns. In die tijd is dat onschuldig volksvermaak voor toeristen. De mini Plaza de Toros stroomt vol. De ‘helden’ die aan het ‘stierengevecht’ mee willen doen kunnen zich melden. Ik ben één van de uitverkoren pseudo-torero’s. Eén jongen krijgt een stok met een rode lap eraan in zijn fikken gedrukt. Het stiertje komt de arena binnen en stormt gelijk met zijn 300 kilo op hem af. Alle ‘stierenvechters’ zetten het op een lopen en brengen zich bijtijds in veiligheid achter een houten hek. De rode lap blijft in de arena liggen. Daar sta ik dan in mijn uppie. Wat te doen? Ik raap de muleta op en houd de lap uitdagend voor mijn jongeheer. Of dat verstandig is, blijft een vraag. Het lieve dier kijkt me aan en rent met volle snelheid op me af. Mijn hart zit in mijn strot. Mijn moeder valt flauw op de tribune.   

Om me heen staan volwassen mannen klaar om het beest af te leiden als het plannen heeft om te gaan tapdansen op mijn wasbordje. Maar dat is niet nodig, want als een volleerde matador ontwijk ik de stier op tijd. De rode lap glijdt over zijn zwarte rug. “Olé!” gilt het publiek uitzinnig. Een gevoel van extase gaat door me heen. Ik voel me de El Cordobés uit de Lage Landen. Manuel Benítez Pérez is in de jaren zestig een legendarische stierenvechter. Tot zeven keer toe herhaal ik het kunstje. Ik geniet van onze sierlijke pas de deux en de reacties van het publiek. Ik heb het idee dat de stier er zelf ook lol in heeft. Na elke ‘bijna-botsing’ draait hij zich om en stormt nog levenslustiger op me af. Olé!

Opeens besluit ik om de clown uit te gaan hangen. Wild wapperend met mijn armen omhoog ren ik zogenaamd in paniek in de richting van de houten omheining en klim eroverheen. Het stiertje neemt niet eens de moeite om achter me aan te hollen maar blijft verbaasd staan staren. Prutser, lijkt hij te willen zeggen, we waren net zo lekker bezig. Het is een anticlimax. In plaats van ‘olé’ klinkt er een schamper hoongelach. Mijn moeder wordt weer op de been gebracht. Een mager meisje met een gezicht vol acné klopt me lief op mijn rug en zegt: “Gute Show!” Maar the show is over. Het omstreden nummer El Cordobes van de band BZN heb ik later nooit aan kunnen horen. Olé!

JAAP VAN DEURZEN