Ze is een jaar of vier en zit als een prinses op de krokodil. Het koudbloedige reptiel dobbert rustig op de Vecht. In zijn plastic bek zit een touwtje waarmee het groene monster wordt voortgetrokken door de hofdame van dienst. Hare hoogheid, die een helblauw, vierkanten zwemvestje aan heeft, draagt een klemmetje in heur haar. Daar steekt brutaal een blond staartje uit. Haar bolle beentjes hangen in het Vechtwater. Triomfantelijk kijkt ze naar het zwemmende gepeupel rond haar lievelingsreptiel. Ze is de belichaming van puur geluk.
Op het overvolle grasveldje voor de molen de Vriendschap in Weesp heerst een kakofonie van kindergeluiden. Waarom gillen die kleuters altijd zo hard? Waar halen ze de energie vandaan om tachtig keer het water in te springen en er weer uit te klimmen? Sommigen rennen als kippen zonder kop luid gillend over het gras. Hun kletsnatte haren plakken in slierten op hun rug.
Een kereltje van een jaar of zeven oefent zijn ‘radslag zonder handen’. Hij heeft schouderlang engelenhaar dat elke keer het gazon aait als hij zijn capriolen uitvoert. Ik breek alle botten in mijn karkas als ik dit zou proberen. Zijn moeder zit hem hoofdschuddend aan te staren. Ze is gekleed in een te strak badpak.
Als ik door mijn wimpers gluur zie ik met veel fantasie de zomerse variant van Pieter Bruegels Winterlandschap met schaatsers en vogelknip. Natuurlijk met een aangepaste titel: Zomerlandschap met molens, moeders en mobieltjes.
Een zwaar zwetende vrouw staat naast me een surfboard op te pompen. Ze loopt rood aan van inspanning. Opeens schiet het pomp-tuitje met een plop uit het ventiel. De kunststof plank begint een eigen leven te leiden en sist als een balsturige slang. “Mam!!” gilt haar zoontje verwijtend. “Doe het effe lekker zelf!” brult mams geïrriteerd en gaat nukkig op het gras zitten. Zoonlief haalt zijn schouders op en duikt het water in.
De zon straalt uit een strakblauwe hemel. Het is 34 graden. Ik sta als een halfzachte zombie tot aan mijn kin in het water. M’n voeten zijn weggezakt in de slijmerige bodem van de Vecht. Een geoefend zwemmer ben ik niet. Ik moet het vooral hebben van armkracht om vooruit te komen. Maar ik heb in deze bloedhitte geen zin om me in te spannen. Rustig aan, dan breekt het lijntje niet. Het koude water kabbelt tegen mijn kaken. Het is een heerlijke manier om af te koelen. Bootjes in allerlei maten en vormen varen voorbij.
Een groepje lieve peuters heeft me ontdekt. Ze botsen zachtjes met hun zwembandjes tegen mijn hoofd aan. Telkens gil ik overdreven: ‘Au!!!’ Ik voel me de Grote Vriendelijke Dukdalf. Die kleintjes hebben de grootste lol. Ik heb blijkbaar zo’n sullige uitstraling dat kinderen zich veilig voelen bij mij. Ik voel wel de priemende blikken van hun moeders in m’n rug. Geef ze eens ongelijk. We leven in rare tijden. Er lopen heel wat verwarde zieltjes rond.
Ik denk gelijk terug aan mijn eigen jeugd. Ik ben een zesjarige gratenbaal met een keihard jongenslijf. Met mijn moeder, tante en broer zit ik aan de rand van de Kralingse Plas. We zijn er vanuit Rotterdam-Zuid met de tram naartoe gereden.
Om de haverklap duiken we in het lauwwarme water van de vieze veenplas. Opeens staat mijn broer onderwater tegen mijn benen aan te plassen en begint te schateren. Ik voel de warme wolk urine langs m’n kuiten strijken en word er onpasselijk van. Huilend hol ik naar het houten huisje op het strand dat dient als badhok. Daar schrob ik mijn benen schoon.
Als ik klaar ben zie ik de besmuikt lachende zielenpoot in de bosjes staan. “Pssst,” roept hij. De man heeft zijn jas opengeklapt en staart demonstratief naar beneden. Ik sta aan de grond genageld. Ik heb geen idee wat hij wil. Ik heb wel gelijk door dat hier iets niet in orde is.
Angstig ren ik terug naar mijn ma. Op het politiebureau krijg ik het p-woord niet uit mijn mond. De sympathieke agent blijft aandringen. Ik moet in m’n eigen woorden vertellen wat er is gebeurd. Een getuigenis heeft weinig zin als hij mijn verhaal moet dicteren. Maar ik krijg het simpelweg niet voor elkaar. P….l is écht een vies woord.
Hakkelend beschrijf ik de ‘…’ die qua grootte lijkt op een flink stuk ‘Unox-rookworst’. Het is de enige vergelijking die ik kan bedenken. Opeens rollen de tranen over m’n wangen. Ik schaam me rot. Na een summiere beschrijving van de man weet de agent genoeg. Aan de hand van mijn moeder vlucht ik het bureau uit. In de tram naar huis braak ik in de schoot van een oude vrouw. Ik heb mijn eerste jeugdtrauma opgelopen.
“Au!!’ schreeuw ik luidkeels als de nepkrokodil fluweelzacht tegen mijn achterhoofd botst. Ik hoor de heerlijke lach van de blonde prinses. Het is een prachtig geluid.
JAAP VAN DEURZEN